HAARLEM, 2 juli 2026 – Een politieagent die in zijn vrije tijd en in zijn eigen auto een verdachte achtervolgde na een verkeersruzie, hoeft zijn verkeersboete niet te betalen. Dat heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland bepaald. De agent reed binnen de bebouwde kom 60 kilometer per uur, waar 50 kilometer per uur was toegestaan. Volgens de rechter viel hij onder een vrijstelling voor politieambtenaren, omdat sprake was van een dringende taak.
Boete na achtervolging in privéauto
De zaak draaide om een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. De politieagent kreeg een sanctie opgelegd omdat hij 10 kilometer per uur te hard reed binnen de bebouwde kom.
De agent was op dat moment niet in dienst, maar reed in zijn privévoertuig. Volgens zijn verklaring zag hij voor zich een verkeersruzie ontstaan waarbij geweld werd gebruikt. Een man zou uit zijn auto zijn gestapt, naar een ander voertuig zijn gelopen, het portier hebben geopend en meerdere trappende bewegingen hebben gemaakt tegen of in dat voertuig. Daarna reed de man met verhoogde snelheid weg.
Omdat de betrokkene werkzaam is als politieagent bij het team Verkeer van de politie Amsterdam, besloot hij de achtervolging in te zetten. Daarbij overschreed hij de maximumsnelheid.
Officier vond boete terecht
De officier van justitie verklaarde het administratief beroep van de agent eerder ongegrond. Volgens de officier gold de vrijstelling niet, omdat de agent in een privévoertuig reed en niet in een dienstvoertuig of voorrangsvoertuig.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie hield dat standpunt tijdens de zitting bij de kantonrechter staande. Volgens die lezing volgt uit de beschikking van de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Brancherichtlijn Politie 2023 dat de vrijstelling alleen geldt voor bestuurders van voorrangsvoertuigen of dienstvoertuigen.
De agent bestreed dat. Hij wees erop dat politieambtenaren in bepaalde situaties ook voertuigen van burgers kunnen vorderen en daarmee verkeersvoorschriften kunnen negeren als dat noodzakelijk is voor politiewerk.
Rechter: vrijstelling geldt ook in dit geval
De kantonrechter stelde de agent in het gelijk. Volgens de rechtbank biedt artikel 147 van de Wegenverkeerswet de minister de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van verkeersregels voor openbare diensten, waaronder de politie.
Op basis van een beschikking van 8 december 2021 geldt zo’n vrijstelling voor politieambtenaren. De rechter oordeelde dat die vrijstelling niet uitsluitend is gekoppeld aan het rijden in een voorrangsvoertuig. Wel moet aan voorwaarden worden voldaan.
Zo moet de verkeersveiligheid zoveel mogelijk worden gewaarborgd. Daarnaast moet de afwijking van de verkeersregels noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opgedragen taak. Ook moet sprake zijn van een dringende taak, zoals een ernstige verstoring van de openbare orde of rechtsorde waarvoor directe en snelle inzet nodig is.
Snelheidsoverschrijding beperkt
Volgens de kantonrechter was aan die voorwaarden voldaan. De agent overschreed de maximumsnelheid met 10 kilometer per uur. Omdat hij is opgeleid als politieambtenaar binnen het team Verkeer, ging de rechter ervan uit dat hij de verkeersveiligheid bij de achtervolging in acht heeft genomen.
Ook vond de rechter dat sprake was van een dringende taak. De agent zag een verkeersruzie waarbij mogelijk sprake was van mishandeling of vernieling. Daardoor mocht hij ingrijpen om de rechtsorde te handhaven en de mogelijke verdachte aan te houden.
De kantonrechter oordeelde daarom dat de agent niet in overtreding was. De boete was ten onrechte opgelegd.
Kritiek op onduidelijke regels
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. De beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete was opgelegd, zijn vernietigd. Ook moet het bedrag dat de agent als zekerheid had betaald worden terugbetaald.
De kantonrechter plaatste daarnaast een kritische kanttekening bij de regelgeving. Volgens de rechter werken wetten, beschikkingen, brancherichtlijnen en gedragscodes op elkaar in, terwijl de formulering daarvan niet altijd helder is. Daardoor kan voor wetshandhavers onduidelijk zijn welke regels gelden tijdens de uitoefening van hun taak.
De rechter noemde het wrang dat de agent, die volgens de uitspraak adequaat en lovenswaardig had opgetreden, zich vervolgens bij de rechter moest verantwoorden voor een mogelijke verkeersovertreding.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



