DEN HAAG, 6 mei 2026 – De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat TUI Airlines Nederland een schadevergoeding moet betalen aan een groep passagiers voor een vluchtvertraging van meer dan vijf uur. Hoewel de vertraging werd veroorzaakt door schade na een blikseminslag, kan de luchtvaartmaatschappij zich niet langer beroepen op ‘buitengewone omstandigheden’.
De zaak werd aangespannen door vijftien passagiers die op 11 augustus 2023 zouden vliegen. Hun vlucht kwam met grote vertraging aan, nadat het geplande toestel wegens reparatiewerkzaamheden niet inzetbaar was.
Blikseminslag en uitgestelde inspectie
De vertraging vond zijn oorsprong in een incident op 5 augustus 2023, zes dagen vóór de bewuste vlucht. Het toestel werd toen geraakt door de bliksem. Na een eerste inspectie werd geen schade geconstateerd, waarna TUI besloot de verplichte tweede, grondigere inspectie uit te stellen tot een geplande onderhoudsbeurt op 9 augustus 2023.
Tijdens dat onderhoud bleek dat er wél sprake was van bliksemschade. De noodzakelijke reparaties duurden tot de avond van 11 augustus, waardoor het toestel niet tijdig beschikbaar was voor de vlucht van de eisers.
Geen causaal verband meer
Hoewel een blikseminslag juridisch doorgaans als een buitengewone omstandigheid wordt gezien, oordeelde de kantonrechter dat dit in dit specifieke geval niet opging. Volgens het vonnis ontbrak het causale verband tussen de inslag op 5 augustus en de vertraging op 11 augustus.
De rechter stelde vast dat TUI redelijkerwijs had kunnen inspelen op de situatie. Door de tweede inspectie uit te stellen en pas op 9 augustus de schade te ontdekken, had de maatschappij de planning al eerder kunnen aanpassen in plaats van te wachten tot de dag van de vlucht. De operationele beslissing om de inspectie uit te stellen, verbreekt de doorwerking van de buitengewone omstandigheid.
Uitspraak en vergoeding
De rechtbank veroordeelde TUI tot het betalen van een schadevergoeding van 400 euro per passagier, wat neerkomt op een totaalbedrag van 6.000 euro voor de groep. Daarnaast moet de maatschappij de buitengerechtelijke incassokosten van 695 euro en de proceskosten van ruim 1.265 euro dragen.
Opmerkelijk in dit vonnis is de afwijzing van de vordering voor één minderjarig kind. De ouders hadden de vordering van hun kind aan zichzelf gecedeerd, maar deden dit allebei afzonderlijk. De rechter oordeelde dat een vordering slechts aan één persoon kan worden overgedragen, waardoor dit deel van de eis niet rechtsgeldig was.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



















