UTRECHT – De rechtbank in Utrecht heeft bepaald dat een man geen aanvullende vergoeding krijgt voor de werkelijke schade die hij en zijn gezin volgens hem hebben geleden door de toeslagenaffaire. Volgens de rechter is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote het gevolg is van het handelen van de Dienst Toeslagen.
Schade door arbeidsongeschiktheid
De man had om vergoeding gevraagd voor schade die volgens hem ontstond doordat zijn echtgenote arbeidsongeschikt raakte. Hij stelde dat haar gezondheidsproblemen verband hielden met de wijze waarop de Dienst Toeslagen zijn gezin behandelde rond de kinderopvangtoeslag.
Het gezin was betrokken bij een onderzoek naar een gastouderbureau en de klanten daarvan. Dat onderzoek leidde uiteindelijk tot een zogenoemde stopbrief van 24 december 2010. Volgens de man hadden zowel het onderzoek als de gebeurtenissen rond die brief grote gevolgen voor zijn gezin.
De Dienst Toeslagen wees het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade af. De man was het daar niet mee eens en stapte naar de rechter.
Eerder onderzoek was te beperkt
In een tussenuitspraak van 9 juni 2026 oordeelde de rechtbank dat de schadeclaim aanvankelijk te beperkt was beoordeeld. Bij de beoordeling was volgens de rechter te sterk vastgehouden aan de datum van de stopbrief.
Niet alleen die brief moest worden meegenomen, maar ook het onderzoek naar het gastouderbureau en de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen. Volgens de rechtbank maakte ook dat eerdere handelen deel uit van de omstandigheden die bij de beoordeling van de schade moesten worden betrokken.
Het oorspronkelijke besluit was daardoor onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Aanvullende medische gegevens
De man kreeg vervolgens de mogelijkheid aanvullende stukken in te dienen om het verband tussen het handelen van de Dienst Toeslagen en de arbeidsongeschiktheid van zijn echtgenote aannemelijk te maken.
Hij leverde onder meer een brief van een orthopedisch chirurg, een huisartsenjournaal en informatie van een bedrijfsarts aan. Ook werden andere documenten overgelegd die betrekking hadden op de periode rond de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Uit de stukken blijkt volgens de rechtbank dat de vrouw aanvankelijk lichamelijke klachten had en dat daar eind 2010 of begin 2011 psychische klachten bij kwamen.
Samenloop in tijd niet genoeg
Dat de psychische klachten ongeveer tegelijkertijd ontstonden met de problemen rond de kinderopvangtoeslag is volgens de rechter onvoldoende om een oorzakelijk verband vast te stellen.
In het huisartsenjournaal staat onder meer dat de vrouw in februari 2011 last had van flauwvallen bij boosheid en onmacht. Uit die aantekening blijkt volgens de rechtbank echter niet waardoor die boosheid en onmacht werden veroorzaakt.
Daardoor kan niet worden vastgesteld dat deze klachten door het handelen van de Dienst Toeslagen zijn ontstaan. Ook uit de overige ingediende stukken kon volgens de rechter geen voldoende duidelijk verband worden afgeleid tussen de psychische problemen en de arbeidsongeschiktheid enerzijds en de toeslagenaffaire anderzijds.
Ruimhartige beoordeling heeft grenzen
Bij schadeclaims uit de toeslagenaffaire moet volgens de rechtbank ruimhartig worden gekeken naar de verklaringen en informatie van gedupeerde ouders.
Dat betekent volgens de rechter echter niet dat automatisch moet worden aangenomen dat iedere gestelde schade door het handelen van de Dienst Toeslagen is veroorzaakt. Ook bij een ruimhartige beoordeling moet het oorzakelijke verband voldoende aannemelijk zijn.
Daar is de man volgens de rechtbank in deze zaak niet in geslaagd.
Beroep toch gegrond
De man krijgt formeel wel gelijk op een ander punt. Omdat het oorspronkelijke besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en gemotiveerd, verklaart de rechtbank zijn beroep gegrond en wordt dat besluit vernietigd.
Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen het eerdere gebrek volgens de rechter echter hersteld. De dienst heeft alsnog voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom het vereiste verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het handelen rond de toeslagenaffaire niet kan worden vastgesteld.
Daarom blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. In de praktijk betekent dit dat de afwijzing van de gevraagde schadevergoeding blijft gelden.
Proceskosten en griffierecht
Omdat het beroep formeel gegrond is verklaard, moet de Dienst Toeslagen wel de proceskosten van de man vergoeden. Die zijn door de rechtbank vastgesteld op 2.335 euro.
Ook moet het door de man betaalde griffierecht van 53 euro worden terugbetaald.
De uitspraak werd op 2 oktober 2026 gedaan door de rechtbank in Utrecht. Tegen de uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



Praat mee over dit artikel
Reageer inhoudelijk en respectvol. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.