ROTTERDAM, 27 juli 2026 โ De rechtbank Rotterdam heeft een werkgever vrijgesproken van het aanranden van een werkneemster. Volgens de rechtbank waren twee bewezen aanrakingen grensoverschrijdend, maar kon niet worden vastgesteld dat deze handelingen seksueel van aard waren.
De man werd ervan beschuldigd dat hij de werkneemster tussen 1 november 2023 en 13 februari 2024 meerdere keren ongewenst had aangeraakt. De vermeende incidenten zouden hebben plaatsgevonden binnen zijn onderneming in Ridderkerk.
Het Openbaar Ministerie stelde dat de werkgever misbruik had gemaakt van zijn leidinggevende positie en voorbij was gegaan aan verbale protesten van de werkneemster. De officier van justitie vroeg de rechtbank daarom om een veroordeling.
Zes handelingen opgenomen in aanklacht
In de aanklacht werden zes verschillende handelingen beschreven. De werkgever zou onder meer de borsten en schaamstreek van de vrouw hebben betast, zijn lichaam tegen haar hebben gedrukt, een hand onder haar kleding hebben geplaatst en haar op de mond hebben gekust.
Ook zou hij zijn hand tussen haar bovenbenen hebben geplaatst en haar op de billen hebben geslagen. De verdachte ontkende dat hij zich schuldig had gemaakt aan aanranding. Zijn advocaat vroeg om volledige vrijspraak.
De rechtbank onderzocht vervolgens voor welke beschuldigingen voldoende ondersteunend bewijs aanwezig was. Alleen het aanraken van een borst en het drukken van het lichaam tegen dat van de werkneemster werden ondersteund door een getuigenverklaring.
Voor de vier overige beschuldigingen ontbrak volgens de rechters voldoende steunbewijs. De aangifte alleen was niet genoeg om deze handelingen wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Aanrakingen waren grensoverschrijdend
De rechtbank stelde vast dat de twee ondersteunde handelingen binnen een verhouding tussen werkgever en werkneemster als grensoverschrijdend konden worden beschouwd. Dat betekende volgens de rechters echter niet automatisch dat sprake was van ontucht in strafrechtelijke zin.
Voor een veroordeling op grond van het toenmalige artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht moest worden vastgesteld dat de handelingen seksueel van aard waren. De rechtbank vond onvoldoende bewijs dat de werkgever een seksuele bedoeling had.
Bij dat oordeel keek de rechtbank ook naar de bredere omgang binnen het bedrijf. Uit het dossier kwam naar voren dat de werkgever los en lichamelijk met medewerkers omging. Het geven van knuffels en het aanraken van personeelsleden kwam volgens het vonnis vaker voor.
Persoonlijk contact via WhatsApp
De verdachte en de werkneemster hadden in de betreffende periode ook regelmatig persoonlijk contact via WhatsApp. Zij deelden persoonlijke informatie en stuurden elkaar onder meer hartjessymbolen.
Deze omstandigheden betekenden volgens de rechtbank niet dat de aanrakingen passend waren. Zij speelden wel een rol bij de beoordeling of bewezen kon worden dat de handelingen een seksueel karakter hadden.
Omdat die seksuele aard niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld, kon de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van ontucht komen. De verdachte werd daarom volledig vrijgesproken.
Schadevergoeding niet behandeld
De werkneemster had zich als benadeelde partij bij de strafzaak aangesloten. Zij vorderde 28.876,66 euro aan materiรซle schade en 15.000 euro aan immateriรซle schade. Ook vroeg zij om wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Door de vrijspraak verklaarde de rechtbank haar niet-ontvankelijk in de vordering. Dat betekent dat de strafrechter de gevraagde schadevergoeding niet inhoudelijk heeft beoordeeld.
De verdachte en de benadeelde partij moeten ieder hun eigen proceskosten betalen. Het vonnis werd op 23 juli 2026 uitgesproken door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


