RIDDERKERK, 31 juli 2026 – De rechtbank Rotterdam heeft een 15-jarige jongen veroordeeld voor een gewapende overval op een shoarmazaak in Ridderkerk. Hij krijgt 150 dagen jeugddetentie, waarvan 108 dagen voorwaardelijk. Daarnaast moet hij een werkstraf van honderd uur uitvoeren.
De overval vond op 24 september 2025 plaats. De jongen ging samen met een andere minderjarige met bedekte gezichten de eetgelegenheid binnen. Het tweetal had een mes en een voorwerp bij zich dat sterk op een echt vuurwapen leek.
De rechtbank verklaarde een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld bewezen. De verdachte bekende zijn betrokkenheid. Ook werd hij veroordeeld voor het bezit van een verboden imitatievuurwapen.
Imitatievuurwapen tegen hoofd gedrukt
In de shoarmazaak waren drie personen aanwezig. De veroordeelde zette het op een vuurwapen gelijkende voorwerp tegen het hoofd van de vader van de eigenaar. Daarbij riep hij dat het slachtoffer zijn zakken moest leegmaken.
De jongen voelde vervolgens aan de broekzakken van het slachtoffer. Zijn medeverdachte hield ondertussen de eigenaar van de zaak en diens neef met een mes op afstand. Uiteindelijk werd geen geld buitgemaakt, waardoor juridisch sprake bleef van een poging tot diefstal.
Het imitatievuurwapen vertoonde volgens het onderzoek door zijn vorm en afmetingen een sterke gelijkenis met een vuurwapen van het type HK45 Civil. Het voorwerp was daardoor geschikt om mensen ernstig te bedreigen of af te dreigen.
Het bezit daarvan is verboden op grond van de Wet wapens en munitie. De rechtbank rekende het de verdachte zwaar aan dat hij het voorwerp daadwerkelijk tegen het hoofd van een slachtoffer heeft gezet.
Ernstige gevolgen voor slachtoffers
Volgens de rechtbank hebben de twee minderjarigen een zeer bedreigende situatie gecreรซerd. Zij zouden vooral hebben gehandeld vanuit financieel gewin en nauwelijks rekening hebben gehouden met de gevolgen voor de aanwezigen.
De overval had een grote psychische impact. Uit medische stukken bleek dat twee slachtoffers klachten ontwikkelden die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Voor deze klachten werd een behandeling met EMDR ingezet.
De rechters hielden er nadrukkelijk rekening mee dat een van de slachtoffers het imitatievuurwapen tegen zijn hoofd kreeg. Een familielid was daar rechtstreeks getuige van. De gebeurtenis werd voor beide slachtoffers als zeer ingrijpend beoordeeld.
Voor ieder van hen kende de rechtbank โฌ 5.500 aan immateriรซle schadevergoeding toe. Daar kwamen gemaakte behandelings- en reiskosten bij. De totale toegewezen bedragen kwamen uit op โฌ 5.676,56 en โฌ 6.247,43.
De eigenaar van de onderneming krijgt daarnaast โฌ 250 vergoed voor materiรซle schade. Een hogere vordering wegens omzetverlies was volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De veroordeelde en zijn mededader zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de toegewezen bedragen.
Hoog risico op herhaling
De jongen was niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld. Toch schatte de Raad voor de Kinderbescherming het algemene risico op herhaling als hoog in.
Volgens de Raad heeft de verdachte moeite om zich te verplaatsen in de gevolgen van zijn gedrag voor anderen. Geld speelde bij de overval een belangrijke rol. Ook bestaan zorgen over zijn weerbaarheid tegen negatieve beรฏnvloeding, zijn sociale netwerk en de mate waarin hij zich aan grenzen en afspraken houdt.
Er zijn tegelijkertijd beschermende factoren. De jongen heeft een baan en zijn werkgever is positief over zijn functioneren. Na de zomer begint hij volgens het vonnis aan een beroepsbegeleidende mbo-opleiding. Ook werkt hij mee aan een behandeling bij De Waag en aan begeleiding door een jongerencoach.
De problemen ontstaan volgens de betrokken hulpverleners vooral wanneer er minder toezicht en structuur is. De jongen bleef in weekenden soms weg en was dan niet bereikbaar voor zijn ouders. Ook zijn zorgen geuit over middelengebruik en de beperkte grip vanuit de thuissituatie.
Geen terugkeer naar jeugdgevangenis
De rechtbank stelde vast dat de ernst van de overval een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie zou kunnen rechtvaardigen. Een terugkeer naar de jeugdgevangenis werd echter niet in het belang van de ontwikkeling van de jongen geacht.
De lopende behandeling, zijn werk en zijn opleiding zouden daardoor worden onderbroken. Het onvoorwaardelijke gedeelte van de jeugddetentie is daarom afgestemd op de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Die periode wordt op de straf in mindering gebracht.
Van de opgelegde 150 dagen zijn 108 dagen voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf geldt als waarschuwing en kan alsnog worden uitgevoerd wanneer de jongen binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich niet aan de voorwaarden houdt.
Behandeling en toezicht direct van kracht
De veroordeelde staat gedurende twee jaar onder toezicht van Jeugdbescherming West. Hij moet blijven deelnemen aan het FAST-traject van De Waag en meewerken aan begeleiding door een jongerencoach.
Ook moet hij onderwijs en werk blijven volgen en zich houden aan de bijbehorende roosters en afspraken. Daarnaast is een persoonlijkheidsonderzoek verplicht. Dat onderzoek moet meer duidelijkheid geven over zijn denkpatronen, gedrag en de factoren die het risico op nieuwe strafbare feiten vergroten.
Verder geldt een direct en indirect contactverbod met de drie slachtoffers. De rechtbank heeft bepaald dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht onmiddellijk uitvoerbaar zijn. Die beslissing houdt verband met de ernst van het geweld en het door deskundigen als hoog beoordeelde recidiverisico.
Naast de jeugddetentie moet de jongen honderd uur werken. Wanneer hij deze werkstraf niet naar behoren uitvoert, kan vervangende jeugddetentie van vijftig dagen worden toegepast.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



