LOOSDRECHT – De advocaat-generaal bij de Hoge Raad adviseert het cassatieberoep van een bouwbedrijf te verwerpen dat in 2024 werd veroordeeld tot een boete van 50.000 euro wegens een dodelijk bedrijfsongeval in Loosdrecht. Bij het ongeval op 30 oktober 2019 kwam een funderingsmedewerker om het leven nadat een werkplatform van een funderingsmachine afbrak en op zijn hoofd terechtkwam.

Het gerechtshof in Amsterdam veroordeelde het bedrijf op 27 november 2024 wegens het opzettelijk overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet. De onderneming was eerder door de rechtbank vrijgesproken, maar werd in hoger beroep alsnog schuldig bevonden. Het bedrijf stapte vervolgens naar de Hoge Raad.

Werkplatform valt op medewerker

Het ongeval gebeurde tijdens werkzaamheden aan funderingspalen. Drie medewerkers waren bezig met het voorbereiden van een funderingsmachine, waarbij een betonslang met behulp van een lier omhoog werd gehesen.

Tijdens het hijsen raakte de hijskabel klem tussen de boormotor en het daaraan bevestigde werkplatform. Doordat de hijsbeweging doorging, brak het platform los en viel naar beneden. Het slachtoffer werd op zijn hoofd geraakt en overleed ter plaatse aan zijn verwondingen.

Volgens het gerechtshof was het gevaar van een vastlopende hijskabel binnen het bedrijf bekend. Op de machine waren oude en nieuwe beschadigingen zichtbaar die door schurende hijskabels waren veroorzaakt.

Slachtoffer werkte pas vier weken bij bedrijf

Het slachtoffer was op het moment van het ongeval pas vier weken in dienst. Volgens het hof had hij onvoldoende veiligheidsinstructies gekregen en was hij niet gewezen op het risico dat de hijskabel tussen de boormotor en het werkplatform kon vastlopen.

Ook ontbraken duidelijke werkinstructies voor het hijsen van betonslangen. Het bedrijf had de risico's onvoldoende schriftelijk vastgelegd en geen maatregelen getroffen om het vastlopen van de kabel te voorkomen.

Pas na het dodelijke ongeval werden de funderingsmachines aangepast. Daarbij werden voorzieningen aangebracht om te voorkomen dat hijskabels vast konden raken en werkplatforms naar beneden konden vallen.

Bedrijf bestrijdt verantwoordelijkheid

Het bouwbedrijf stelde in cassatie dat het gevaar onvoldoende bekend was en dat het hof de Arbeidsomstandighedenwet verkeerd had toegepast. Ook zou een belangrijke passage over de voorzienbaarheid van levensgevaar ten onrechte ontbreken in de bewezenverklaring.

Advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen concludeert dat het ontbreken van die passage vermoedelijk berust op een kennelijke vergissing bij het opstellen van het arrest. Volgens hem hoeft deze fout niet tot vernietiging van de veroordeling te leiden.

Daarnaast stelt hij dat een werkgever niet daadwerkelijk op de hoogte hoeft te zijn geweest van ieder specifiek gevaar. Het is voldoende wanneer de werkgever redelijkerwijs had moeten weten dat door het niet naleven van veiligheidsvoorschriften levensgevaar kon ontstaan.

Hoge Raad moet nog beslissen

Volgens de advocaat-generaal heeft het gerechtshof voldoende onderbouwd dat het bedrijf zijn zorgplicht heeft geschonden. De conclusie van 27 oktober 2026 luidt daarom dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

De Hoge Raad moet nog uitspraak doen. Het advies van de advocaat-generaal is niet bindend. Wanneer de Hoge Raad het advies volgt, blijft de veroordeling tot een geldboete van 50.000 euro in stand.