ALKMAAR – De rechtbank in Alkmaar heeft een man veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, voor de gewelddadige verkrachting van een vrouw in haar eigen woning in Den Helder. De man drong in de nacht van 27 december 2024 de woning van het slachtoffer binnen, mishandelde haar en dwong haar tot seksuele handelingen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte wist dat de vrouw geen seksueel contact wilde en dat hij geweld gebruikte om haar te verkrachten. Naast de gevangenisstraf moet de man het slachtoffer een schadevergoeding van 10.000 euro betalen. Ook krijgt hij een contactverbod en moet hij zich gedurende een proeftijd van twee jaar aan verschillende bijzondere voorwaarden houden.

De zaak werd op 21 oktober 2026 inhoudelijk behandeld. Tijdens de rechtszaak ontkende de verdachte dat sprake was geweest van verkrachting. Volgens hem hadden de seksuele handelingen met wederzijdse instemming plaatsgevonden en had hij geen geweld gebruikt. De rechtbank kwam op basis van de verklaring van het slachtoffer, de gesprekken met de meldkamer van 112, getuigenverklaringen en het vastgestelde letsel tot een andere conclusie.

Verdachte kwam ondanks weigering naar woning

Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij de verdachte al enkele jaren kende. Op enig moment had zij zijn telefoonnummer geblokkeerd, omdat hij haar bleef bellen en berichten sturen. In de nacht van 26 op 27 december 2024 besloot zij hem toch te deblokkeren om te vragen waarom hij steeds contact probeerde te zoeken. De verdachte vroeg vervolgens of hij langs mocht komen, maar de vrouw liet duidelijk weten dat zij dat niet wilde.

Desondanks verscheen de man bij haar woning. Toen de deurbel ging, kon de vrouw niet zien wie er voor de deur stond. Nadat zij de deur had geopend, bleek het de verdachte te zijn. Ze maakte hem duidelijk dat hij moest vertrekken, maar volgens haar verklaring duwde hij haar opzij en trok hij haar mee naar binnen. Uiteindelijk gingen beiden naar boven, waar zij iets dronken.

De situatie escaleerde toen de man vroeg of de vrouw hem seksueel wilde aanraken. Zij weigerde, waarna de verdachte haar volgens de rechtbank bij de keel en haren vastpakte, in haar wang beet en in haar gezicht sloeg. De vrouw probeerde zich te verweren door hem weg te duwen en te slaan, maar werd door de verdachte naar de slaapkamer getrokken en op het bed gegooid.

Daar ging het geweld verder. De verdachte sloeg haar opnieuw in het gezicht, waarbij volgens de verklaring van de vrouw haar onderste kunstgebit brak. Ondanks haar smeekbeden om te stoppen, verkrachtte hij haar. Tijdens het seksuele geweld drukte hij een kussen op haar hoofd. De vrouw verklaarde dat zij zich uiteindelijk niet meer verzette en alleen nog kon huilen. Na de verkrachting werd zij opnieuw geslagen en raakte zij buiten bewustzijn. Toen zij bijkwam, had de verdachte de woning verlaten.

Slachtoffer belde kort na verkrachting tweemaal 112

Een belangrijk onderdeel van het bewijs werd gevormd door de telefoongesprekken die het slachtoffer kort na het incident met de meldkamer van 112 voerde. Het eerste gesprek vond plaats op 27 december 2024 om 05.05 uur. De vrouw was hevig overstuur, huilde en kon volgens de rechtbank nauwelijks iets anders uitbrengen dan dat zij was verkracht.

Om 07.19 uur belde zij opnieuw met de hulpdiensten. Ook tijdens dat gesprek was zij zeer emotioneel en vertelde zij dat de verdachte haar had verkracht en mishandeld. Politieagenten die om 07.33 uur bij de woning arriveerden, zagen dat de vrouw nog steeds huilde en ernstig geëmotioneerd was.

De rechtbank hecht grote waarde aan deze waarnemingen, omdat ze kort na het seksuele geweld zijn gedaan en overeenkomen met de latere, uitgebreide verklaring die de vrouw op 21 januari 2025 bij de politie aflegde. Volgens de rechters was haar verklaring gedetailleerd, consistent en geloofwaardig.

Ook het lichamelijke letsel ondersteunde haar verhaal. Politieagenten constateerden onder meer een rode plek onder haar rechteroor die paste bij een bijtwond, geronnen bloed bij haar oor en een rode striem in haar nek. Daarnaast was op foto's te zien dat haar kunstgebit was gebroken. Een getuige bevestigde eveneens dat de vrouw zichtbaar letsel in haar gezicht had.

Rechtbank verwerpt verklaring van verdachte

De verdediging stelde dat het seksuele contact vrijwillig was geweest en betwistte de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. Volgens de advocaat kon het lichamelijke letsel ook op een andere manier zijn ontstaan, mogelijk nadat de verdachte de woning had verlaten.

De rechtbank wees dit alternatieve scenario van de hand. Gezien de korte tijd tussen het vertrek van de verdachte en de komst van een getuige en de politie, achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat een ander verantwoordelijk was voor het vastgestelde letsel.

Ook de verklaring dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hadden plaatsgevonden, werd ongeloofwaardig bevonden. De verdachte had erkend dat hij seksueel contact met de vrouw had gehad. De vraag was daardoor vooral of hij wist dat zij dit niet wilde en of hij geweld had gebruikt. Volgens de rechtbank staat op basis van het bewijsmateriaal vast dat beide omstandigheden zich hebben voorgedaan.

De man werd daarom schuldig bevonden aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Dat betekent in deze zaak dat de verdachte bewust seksuele handelingen verrichtte terwijl hij wist dat de vrouw daarmee niet instemde en dat de verkrachting voorafging aan, gepaard ging met en werd gevolgd door geweld.

Reclassering ziet gemiddeld risico op herhaling

Bij het bepalen van de straf hield de rechtbank niet alleen rekening met de ernst van de verkrachting, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit zijn strafblad bleek dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit was veroordeeld.

Volgens een reclasseringsrapport van 3 juli 2026 zijn er geen aanwijzingen voor een seksuele deviatie. Wel bestaan er risicofactoren, waaronder het alcoholgebruik rond het incident en de relatie met het slachtoffer. Daartegenover staan omstandigheden die volgens de reclassering het risico op herhaling kunnen verkleinen.

De verdachte heeft inmiddels een stabiele partnerrelatie, volgt vrijwillig een behandeling binnen de geestelijke gezondheidszorg en is gemotiveerd om aan zijn psychische stabiliteit en vermindering van zijn cannabisgebruik te werken. De reclassering schatte het risico op herhaling daarom als gemiddeld in.

De verdachte liet tijdens de rechtszaak weten bereid te zijn zich aan de voorwaarden van de reclassering te houden. Ook vroeg hij zelf om een contactverbod met het slachtoffer.

Helft gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd

Het Openbaar Ministerie had een gevangenisstraf van 36 maanden geëist, waarvan tien maanden voorwaardelijk. De verdediging verzocht, wanneer de rechtbank niet tot vrijspraak zou komen, om een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

De rechtbank vond een langdurige gevangenisstraf noodzakelijk vanwege de ernst van het seksuele geweld en de gevolgen voor het slachtoffer. Daarbij benadrukte de rechtbank dat de vrouw in haar eigen woning werd verkracht, juist een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen.

Toch zag de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een groter gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen dan het Openbaar Ministerie had geëist.

De uiteindelijke straf bedraagt 36 maanden gevangenisstraf, waarvan achttien maanden voorwaardelijk. Dat betekent dat de man achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. De andere achttien maanden hoeft hij niet uit te zitten zolang hij zich gedurende de proeftijd van twee jaar aan de gestelde voorwaarden houdt.

De verdachte moet zich melden bij de reclassering en een ambulante behandeling ondergaan bij de forensische geestelijke gezondheidszorg, De Waag of een vergelijkbare instelling. Die behandeling moet gericht zijn op seksueel grensoverschrijdend gedrag en eventuele andere problematiek.

Daarnaast geldt gedurende de proeftijd een volledig contactverbod met het slachtoffer. De veroordeelde mag op geen enkele manier rechtstreeks of via anderen contact met haar zoeken of onderhouden. De reclassering houdt toezicht op de naleving van deze voorwaarden.

Slachtoffer ontvangt 10.000 euro schadevergoeding

De vrouw had zich als benadeelde partij bij de strafzaak gevoegd en een schadevergoeding van 13.125 euro geëist. Daarbij werd 500 euro gevraagd voor lichamelijk letsel en 10.000 euro voor psychische schade. Vanwege de ernst en verwijtbaarheid van het geweld werd bovendien verzocht om een verhoging van 25 procent.

De rechtbank oordeelde dat een vergoeding van 500 euro voor lichamelijk letsel redelijk was. Voor de psychische gevolgen werd een bedrag van 9.500 euro passend geacht. Daarbij hielden de rechters rekening met de aard en ernst van de verkrachting en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.

Volgens de rechtbank is algemeen bekend dat slachtoffers van ernstig seksueel geweld langdurige psychische gevolgen kunnen ondervinden. In deze zaak was sprake van een uitzonderlijke situatie waarin de aard en ernst van het misdrijf voldoende aanleiding gaven om psychische schade aan te nemen.

De gevraagde extra verhoging van 25 procent werd afgewezen. Volgens de rechtbank waren de omstandigheden die deze verhoging moesten rechtvaardigen al meegenomen bij het bepalen van de schadevergoeding. Een extra verhoging zou betekenen dat dezelfde omstandigheden tweemaal werden meegewogen.

Uiteindelijk werd 10.000 euro toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald. Het overige deel van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard. De vrouw kan daarvoor eventueel nog naar de burgerlijke rechter stappen.

De rechtbank legde daarnaast een schadevergoedingsmaatregel op. Daardoor moet de veroordeelde het bedrag aan de Staat betalen, waarna de overheid de inning ten behoeve van het slachtoffer verzorgt.

De uitspraak werd op woensdag 4 november 2026 gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Alkmaar en op 5 november gepubliceerd.