GRONINGEN – Een man met de Marokkaanse nationaliteit is volgens de rechtbank terecht in vreemdelingenbewaring gehouden, ondanks zijn pogingen om vrijwillig terug te keren naar Marokko. De man stelde dat hij zelf voldoende inspanningen had geleverd om zijn vertrek mogelijk te maken en dat de overheid onvoldoende voortvarend handelde. De rechtbank in Den Haag, die de zaak op de zittingsplaats Groningen behandelde, oordeelde op 5 november 2026 echter dat de bewaring rechtmatig is voortgezet. Volgens de rechter bestaat nog altijd een risico dat de man zich aan uitzetting onttrekt en zijn er onvoldoende redenen om hem onder minder beperkende voorwaarden zijn vertrek te laten afwachten.

De minister van Asiel en Migratie had de man op 19 september 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde een eerder beroep tegen deze maatregel op 28 september al ongegrond. Op 27 oktober stelde de man opnieuw beroep in, ditmaal tegen het voortduren van zijn bewaring. Daarbij vroeg hij ook om schadevergoeding. De rechtbank moest beoordelen of de vrijheidsontneming sinds het afsluiten van het eerdere onderzoek op 25 september nog steeds rechtmatig was.

Marokkaan zegt volledig mee te werken aan terugkeer

De man voerde aan dat hij daadwerkelijk naar Marokko wil terugkeren en dat deze wens ook uit verschillende gesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) blijkt. Vanuit het detentiecentrum zou hij alles hebben gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Zo had hij via vrienden duidelijke kopieën van identiteitsdocumenten aangeleverd. Ook probeerde hij originele documenten te verkrijgen, maar daarvoor was hij afhankelijk van vrienden die in Spanje verblijven.

Daarnaast had de man meerdere keren gevraagd om een presentatie bij het Marokkaanse consulaat. Ook wilde hij contact met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), die ondersteuning biedt bij vrijwillige terugkeer. Volgens zijn advocaat had de overheid sneller kunnen handelen, omdat tijdens een vertrekgesprek op 24 september al duidelijk was geworden dat kopieën van zijn paspoort beschikbaar waren. De man stelde dat deze documenten eerder hadden kunnen worden doorgestuurd voor de aanvraag van een vervangend reisdocument, een zogenoemd laissez-passer.

Uit de voortgangsrapportage maakte hij op dat de aanvraag pas op 6 oktober was ingediend. Ook klaagde hij dat hij geen ondersteuning had gekregen bij het schrijven van een brief aan het consulaat. Verder bestond volgens hem onduidelijkheid over de informatie waarover de DT&V beschikte. Zo werd in de rapportage melding gemaakt van een paspoort dat bij het IOM zou liggen en van beschikbare vluchtgegevens, terwijl volgens de man niet duidelijk was of deze informatie daadwerkelijk klopte.

Omdat hij zelfstandig met het IOM aan zijn vrijwillige terugkeer werkte, vond hij dat zijn detentie geen doel meer diende. Volgens hem mocht erop worden vertrouwd dat hij gemaakte afspraken zou nakomen. Een verblijf in een opvangvoorziening van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), eventueel met vrijheidsbeperkende voorwaarden, zou volgens hem voldoende zijn geweest.

Vingerafdrukken noodzakelijk voor uitzetting

De rechtbank volgde deze redenering niet. Volgens de rechter bestaat er nog altijd voldoende zicht op uitzetting naar Marokko. De man had geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit bleek dat de aanvraag van een laissez-passer zou mislukken. De minister had bovendien tijdens de zitting verklaard dat het IOM een vlucht naar Marokko had geboekt voor 4 november 2026. Uit de uitspraak blijkt niet of de man daadwerkelijk met die vlucht is vertrokken.

Ook de kritiek op de snelheid waarmee de overheid had gehandeld, werd verworpen. De minister lichtte toe dat de aanvankelijk beschikbare kopieën van identiteitsdocumenten nauwelijks leesbaar waren. Pas op 28 september ontving de DT&V goed leesbare kopieën van het paspoort en de identiteitskaart. Een dag later bleek dat de originele vingerafdrukken van de man ontbraken, terwijl deze noodzakelijk waren voor de aanvraag van een vervangend reisdocument.

Op 30 september werden daarom nieuwe vingerafdrukken afgenomen. Deze werden op 1 oktober doorgestuurd naar de Directie Internationale Aangelegenheden. Op 2 oktober volgde de aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten, inclusief de benodigde vingerafdrukken. Ook vond op 16 oktober opnieuw een vertrekgesprek plaats. Volgens de rechtbank blijkt uit deze opeenvolgende handelingen dat de overheid voldoende voortvarend aan de uitzetting werkte.

Onderduikrisico blijft doorslaggevend

Een belangrijk onderdeel van de uitspraak is het risico dat de man zou onderduiken wanneer hij in vrijheid zijn vertrek mocht afwachten. De rechtbank had bij de eerdere beoordeling al vastgesteld dat dit risico voldoende aanleiding vormde om vreemdelingenbewaring toe te passen. Volgens de rechter heeft de man in de nieuwe procedure geen omstandigheden aangevoerd die dat eerdere oordeel veranderen.

Dat de man tijdens zijn detentie heeft meegewerkt aan zijn terugkeer, betekent volgens de rechtbank niet automatisch dat vrijlating gerechtvaardigd is. Van iemand die moet vertrekken, mag worden verwacht dat hij meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en het verkrijgen van reisdocumenten. Bovendien vond de rechtbank dat geen sprake was van volledige medewerking. Tijdens de zitting bleek namelijk dat de man zijn originele paspoort bij het IOM had ingeleverd en niet bij de DT&V.

De rechter concludeerde daarom dat een minder ingrijpende maatregel onvoldoende zekerheid zou bieden dat de uitzetting daadwerkelijk kon plaatsvinden. Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring werd ongegrond verklaard. Daarmee werd ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank zag evenmin aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De uitspraak werd op 5 november 2026 openbaar gemaakt. Tegen deze beslissing staat volgens de rechtbank geen rechtsmiddel open.