AMSTERDAM – Philips hoeft geen gerechtelijk onderzoek te ondergaan naar het beleid van de onderneming rond de omstreden terugroepactie van miljoenen slaapapneu- en beademingsapparaten. De Ondernemingskamer in Amsterdam heeft zaterdag 10 oktober alle drie de onderzoeksverzoeken van aandeelhouders en grote institutionele beleggers afgewezen. Volgens de rechter zijn onvoldoende concrete aanwijzingen gevonden dat het bestuur en de raad van commissarissen van Philips ernstig zijn tekortgeschoten.

De uitspraak betekent een belangrijke juridische overwinning voor het Nederlandse technologieconcern, dat al jaren wordt geconfronteerd met rechtszaken en schadeclaims vanwege problemen met medische apparatuur van de Amerikaanse dochteronderneming Respironics.

Miljoenen slaapapneu-apparaten teruggeroepen

De affaire begon in juni 2021, toen Philips wereldwijd een omvangrijke terugroepactie aankondigde. Het ging om 16,1 miljoen slaapapneu- en beademingsapparaten die tussen 2008 en 2021 waren verkocht.

In deze apparaten was zogenoemd PE-PUR-schuim verwerkt om het geluid van de apparatuur te verminderen. Het schuim kon onder bepaalde omstandigheden afbrokkelen, waardoor gebruikers mogelijk kleine deeltjes konden inademen of inslikken.

Daarnaast bestond de vrees dat schadelijke chemische stoffen uit het schuim konden vrijkomen. Onderzoeken wezen destijds op mogelijke gezondheidsrisico's, waaronder luchtwegirritatie en andere schadelijke effecten.

De terugroepactie duurde meerdere jaren en kostte Philips uiteindelijk ruim een miljard. Wereldwijd werden ongeveer 4,86 miljoen apparaten geregistreerd voor herstel of vervanging.

Aandeelhouders beschuldigden Philips van wanbeleid

De Vereniging van Effectenbezitters (VEB), vermogensbeheerder Vanguard en een grote groep internationale institutionele beleggers wilden dat de Ondernemingskamer een diepgaand onderzoek zou gelasten naar het beleid en de gang van zaken binnen Koninklijke Philips.

Volgens de aandeelhouders waren er al jarenlang signalen dat de gebruikte materialen mogelijk onveilig waren. Zij verweten de concernleiding onvoldoende toezicht, gebrekkige risicobeheersing en het niet tijdig ingrijpen bij Respironics.

Ook zou Philips volgens de verzoekers beleggers onvoldoende hebben geïnformeerd over de problemen en de mogelijke financiële gevolgen daarvan.

De aandeelhouders wilden bovendien dat tijdelijk extra bestuurders of commissarissen zouden worden aangesteld om toezicht te houden op kwaliteitscontroles, informatievoorziening en de afhandeling van juridische geschillen.

Rechter ziet onvoldoende bewijs voor tekortschieten bestuur

De Ondernemingskamer volgt de aandeelhouders niet. Volgens de rechter moet worden beoordeeld welke informatie het Philips-bestuur op welk moment daadwerkelijk had of had moeten hebben.

Daarbij mag niet uitsluitend met de kennis van nu worden teruggekeken op gebeurtenissen uit het verleden.

Uit de beschikbare stukken blijkt volgens de Ondernemingskamer dat het bestuur van Philips begin maart 2021 op de hoogte raakte van voldoende concrete aanwijzingen voor mogelijke gezondheidsrisico's.

De eerste openbare mededeling volgde op 26 april 2021. Op 14 juni van dat jaar werd de omvangrijke terugroepactie aangekondigd.

Volgens de rechter vormt dit tijdsverloop geen aanwijzing dat het bestuur de problemen bewust heeft genegeerd of onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Wel vragen over interne informatievoorziening

Toch betekent de uitspraak niet dat alle onderdelen van de gang van zaken bij Philips zonder kritiek blijven.

De Ondernemingskamer stelt vast dat bepaalde aspecten van de interne communicatie vragen oproepen. Zo is niet geheel duidelijk waarom informatie over het interne onderzoeksproject naar de schuimproblemen niet eerder uitgebreider werd gedeeld.

Ook vraagt de rechter zich af waarom een medisch deskundigenpanel in februari 2021 niet beschikte over alle voorlopige informatie over mogelijk schadelijke chemische uitstoot.

Die vragen zijn volgens de Ondernemingskamer echter onvoldoende om te concluderen dat de concernleiding te laat werd geïnformeerd en daardoor niet tijdig kon ingrijpen.

Bovendien benadrukt de rechter dat bij medische hulpmiddelen een ingewikkelde afweging moet worden gemaakt. Het stoppen met het gebruik van beademingsapparatuur kan voor patiënten immers eveneens ernstige gezondheidsrisico's opleveren.

Publieke uitspraken Philips soms erg optimistisch

Een ander belangrijk onderdeel van de procedure betrof de communicatie met aandeelhouders en financiële analisten.

Volgens de verzoekers heeft Philips de problemen aanvankelijk gebagatelliseerd. Ook zou het bedrijf te laat financiële voorzieningen hebben getroffen voor de kosten van de terugroepactie.

De rechter erkent dat uitlatingen van de toenmalige topman tijdens gesprekken met analisten soms bijzonder optimistisch waren.

Toch is onvoldoende aangetoond dat Philips daarmee daadwerkelijk onjuiste of misleidende informatie heeft verspreid die een onderzoek naar het ondernemingsbeleid rechtvaardigt.

Ook de financiële voorzieningen zijn volgens de Ondernemingskamer voldoende onderbouwd.

Philips reserveerde aanvankelijk 250 miljoen euro voor de problemen. Dat bedrag werd later in verschillende stappen verhoogd tot 970 miljoen euro.

Volgens de rechter is het bij dergelijke voorzieningen gebruikelijk dat schattingen worden aangepast wanneer meer duidelijkheid ontstaat over de werkelijke kosten.

Toezichthouder stelde geen overtreding vast

De aandeelhouders verweten Philips eveneens dat koersgevoelige informatie niet tijdig openbaar was gemaakt.

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) onderzocht eerder of Philips zijn verplichtingen rond de openbaarmaking van voorwetenschap had geschonden.

De toezichthouder liet in juli 2023 weten op dit punt geen overtreding te hebben vastgesteld.

De Ondernemingskamer ziet evenmin voldoende aanwijzingen dat Philips informatie over de gezondheidsrisico's eerder openbaar had moeten maken.

Wel stelde de AFM een afzonderlijke overtreding vast rond het tijdstip waarop een persbericht uit juni 2021 bij de toezichthouder werd gedeponeerd. Volgens de rechter was deze overtreding van ondergeschikte betekenis en hield deze geen verband met het verbod op het achterhouden van voorwetenschap.

Philips betaalde miljarden aan schikkingen

Ondanks de gunstige uitspraak heeft de affaire Philips financieel zwaar getroffen.

Het concern werd in verschillende landen geconfronteerd met aansprakelijkheidsprocedures van patiënten, gebruikers en beleggers.

Volgens de uitspraak heeft Philips in het kader van meerdere schikkingen inmiddels meer dan 1,5 miljard aan schadevergoedingen betaald.

In de Verenigde Staten werd in mei 2024 onder meer een schikking van 1 miljard dollar bereikt voor letselschadeclaims. Daarnaast werden afspraken gemaakt over economische schade en medische monitoring.

De uitspraak van de Ondernemingskamer verandert niets aan de juridische positie van eventuele afzonderlijke schadeclaims.

De rechter benadrukt namelijk dat deze procedure uitsluitend betrekking heeft op het beleid en de gang van zaken bij de Nederlandse moedermaatschappij. Er is niet geoordeeld over de vraag of de Amerikaanse dochteronderneming Respironics in alle gevallen juist heeft gehandeld.

Geen onafhankelijk onderzoek en geen extra bestuurders

De Ondernemingskamer concludeert dat de aandeelhouders onvoldoende hebben aangetoond dat er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij Koninklijke Philips te twijfelen.

Daarmee vervalt ook de grondslag voor het benoemen van extra bestuurders of commissarissen.

Alle drie de onderzoeksverzoeken zijn afgewezen.

De verzoekende aandeelhouders en institutionele beleggers moeten gezamenlijk de proceskosten aan de zijde van Philips betalen. Die kosten zijn door de Ondernemingskamer vastgesteld op 4.721 euro.

Voor Philips betekent de beschikking dat er geen door de Ondernemingskamer opgelegd onderzoek naar het concernbeleid komt. De afzonderlijke juridische procedures en mogelijke aansprakelijkheidskwesties rond de slaapapneu-affaire staan daar los van.