DEN HAAG, 22 april 2026 – De rechtbank Den Haag heeft de afwijzing van een asielaanvraag van een jezidi uit Irak vernietigd. Volgens de rechtbank heeft de minister van Asiel en Migratie onvoldoende onderzocht en gemotiveerd of de man bij terugkeer naar Irak veilig kan verblijven in een ontheemdenkamp in de Koerdische Autonome Regio.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. De zaak draait om een Iraakse man die stelt dat hij in 2014 met zijn gezin moest vluchten toen IS zijn dorp in de regio Sinjar binnenviel. Daarna verbleef hij volgens zijn verklaringen jarenlang in een vluchtelingenkamp in Duhok.
Vlucht voor IS geloofwaardig geacht
De minister wees de asielaanvraag op 7 juli 2025 af als kennelijk ongegrond. Daarbij werden de identiteit, nationaliteit en herkomst van de man wel aangenomen. Ook achtte de minister geloofwaardig dat hij was gevlucht voor IS en problemen had ondervonden vanwege zijn jezidi-achtergrond.
Een ander onderdeel van zijn asielrelaas, de gestelde problemen door desertie uit militaire dienst, werd door de minister niet geloofwaardig geacht. De rechtbank gaat daarin mee. Volgens de rechtbank mocht de minister daarbij betrekken dat de man tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over zijn militaire dienst en dat zijn documenten onvoldoende onderbouwing boden.
Kamp in Duhok centraal in oordeel
Het belangrijkste punt in de zaak is de vraag of het vluchtelingenkamp in Duhok kan worden gezien als de normale woon- of verblijfplaats van de man. De minister nam dat standpunt in. De rechtbank vindt echter dat dit onvoldoende is gemotiveerd.
Volgens de rechtbank blijkt uit het besluit niet dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in de Koerdische Autonome Regio voor jezidi’s voldoende heeft onderzocht. Ook is niet duidelijk gemaakt waarom de situatie in de kampen sinds 2019 zodanig zou zijn verbeterd dat deze als normale verblijfplaats kunnen gelden.
De rechtbank verwijst daarbij naar eerdere uitspraken waarin al is geoordeeld dat de beleidswijziging rond jezidi’s uit de Sinjar-regio onvoldoende inzichtelijk is onderbouwd. Ook wijst de rechtbank op een thematisch ambtsbericht van november 2025. Daarin staat dat de situatie in kampen onder druk staat door het terugtrekken van hulporganisaties en verslechterde basisvoorzieningen.
Minister moet nieuw besluit nemen
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de man bij terugkeer geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat artikel verbiedt onder meer onmenselijke of vernederende behandeling.
Het beroep van de man is daarom gegrond verklaard. Het besluit van de minister is vernietigd wegens strijd met de zorgvuldigheidseis en de motiveringsplicht uit de Algemene wet bestuursrecht.
De minister moet binnen twaalf weken na bekendmaking van de uitspraak een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij moet rekening worden gehouden met het oordeel van de rechtbank.
Proceskosten voor minister
De rechtbank veroordeelt de minister daarnaast tot betaling van de proceskosten van de man. Die kosten zijn vastgesteld op 1.868 euro. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ontdek meer van HBP Media
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
