LELYSTAD – Een jongeman die tijdens de feiten twintig jaar oud was, is door de rechtbank in Lelystad veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor drie woninginbraken in december 2025. De verdachte sloeg onder meer tijdens de kerstdagen toe en maakte sieraden, geld, zilveren voorwerpen, een eremedaille en een wapenkluis buit. De rechtbank rekent het hem zwaar aan dat hij in korte tijd meerdere woningen binnendrong en daarmee niet alleen financiële schade veroorzaakte, maar ook het veiligheidsgevoel van de bewoners ernstig aantastte. De man moet daarnaast 2.505,52 euro schadevergoeding betalen en krijgt een proeftijd van drie jaar met verplichte begeleiding en behandeling.

De strafzaak werd op 21 oktober 2026 behandeld door de meervoudige strafkamer. De verdachte was niet zelf bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. Het Openbaar Ministerie had een gevangenisstraf van zestien maanden geëist, waarvan vier maanden voorwaardelijk. De rechtbank kwam uiteindelijk tot een lagere straf, waarbij de helft voorwaardelijk werd opgelegd om de verdachte de mogelijkheid te geven zijn leven onder toezicht van de reclassering te verbeteren.

Inbraak op eerste kerstdag

De eerste woninginbraak waarvoor de verdachte werd veroordeeld, vond plaats op 25 december 2025. Samen met een mededader drong hij een woning binnen en doorzocht hij de vertrekken. Daarbij werden sieraden, een eremedaille, contant geld en een doosje met munten gestolen.

De verdachte werd diezelfde avond op heterdaad aangehouden. Tijdens een verhoor op 22 januari 2026 bekende hij zijn betrokkenheid bij deze woninginbraak. Omdat zijn advocaat de betrokkenheid bij dit feit niet betwistte, hoefde de rechtbank de bewijsmiddelen daarvoor niet uitgebreid te bespreken.

De rechtbank benadrukt dat woninginbraken ernstige feiten zijn, waarbij de persoonlijke levenssfeer van bewoners wordt geschonden. Dat de verdachte tijdens kerstmis toesloeg, wordt hem extra aangerekend. De feestdagen zijn voor veel mensen een periode waarin zij tijd met familie en vrienden doorbrengen. Juist op zulke momenten moeten bewoners erop kunnen vertrouwen dat hun woning en bezittingen veilig zijn.

Ook wapenkluis en kostbaar zilverwerk gestolen

De rechtbank achtte ook bewezen dat de verdachte betrokken was bij een tweede woninginbraak, die plaatsvond in de nacht van 24 op 25 december 2025. De bewoners hadden hun woning op kerstavond rond 16.00 uur verlaten. Toen zij de volgende ochtend omstreeks 11.30 uur terugkeerden, ontdekten zij dat er was ingebroken.

De tuindeur stond open en aan de achterdeur was braakschade zichtbaar. Binnen bleken verschillende vertrekken volledig overhoop te zijn gehaald. Op de eerste verdieping was een badkamerraam vernield. Volgens het politieonderzoek was de inbreker via een plat dak naar het raam geklommen en had hij de ruit vermoedelijk met een grote steen ingegooid.

Uit een van de kamers was een wapenkluis verdwenen. Daarin bevonden zich onder meer ongeveer 500 euro contant geld, een boekje met wachtwoorden en verschillende waardevolle zilveren voorwerpen. Het ging onder meer om een zilveren knottekistje met oude Nederlandse munten, een zilveren tabaksdoosje met Indische motieven en een zilveren lepeldoos met rode fluwelen binnenvoering.

Tijdens een doorzoeking op 26 december trof de politie in de schuur van de woning waar de verdachte verbleef een boodschappentas aan met zilveren voorwerpen. De eigenaar herkende deze spullen als zijn eigendommen die uit de kluis waren gestolen.

De verdachte gaf geen verklaring voor de aanwezigheid van de gestolen goederen in de schuur. Volgens de rechtbank vormde deze vondst, in combinatie met andere bewijsmiddelen, een belangrijke aanwijzing dat hij ook verantwoordelijk was voor deze inbraak.

Politie herkent verdachte op camerabeelden

De derde woninginbraak vond plaats op 8 december 2025, eveneens in december maar ruim twee weken voor de kerstdagen. De bewoners waren op 3 december op vakantie gegaan en keerden op 9 december terug. Bij thuiskomst ontdekten zij dat hun woning volledig was doorzocht.

In de woonkamer lag het raam van de achterdeur eruit. Op de vloer werden twee stenen aangetroffen waarmee de ruit vermoedelijk was vernield. Ook op de bovenverdieping waren kasten en andere opbergplaatsen doorzocht.

Uit de woning verdwenen sieraden, drie kostbare horloges en contant geld. Volgens de aangifte bedroeg de totale waarde van de buit ongeveer 24.000 euro. Daarvan bestond circa 21.000 euro uit sieraden en horloges. Daarnaast waren ongeveer 3.000 euro aan bankbiljetten en muntgeld weggenomen.

De verdachte ontkende betrokkenheid bij deze inbraak. Zijn advocaat voerde aan dat de camerabeelden waarop de politie zich baseerde van onvoldoende kwaliteit waren om hem betrouwbaar te kunnen herkennen.

De rechtbank volgde dat verweer niet. Twee politieagenten hadden de verdachte onafhankelijk van elkaar herkend op beelden die bij de woninginbraak waren gemaakt. Zij wezen op verschillende kenmerken, waaronder zijn gezicht, snor, wenkbrauwen en krullende haar.

Ook de kleding speelde een belangrijke rol. Op de beelden droeg de inbreker een jas en handschoenen die overeenkwamen met kleding die de verdachte bij zijn aanhouding op eerste kerstdag aanhad. De rechters bekeken de beelden zelf en vonden de herkenningen voldoende betrouwbaar.

Overeenkomsten tussen drie inbraken vormen belangrijk bewijs

Bij de beoordeling van de tweede woninginbraak paste de rechtbank zogenoemd schakelbewijs toe. Daarbij worden overeenkomsten tussen verschillende strafbare feiten gebruikt om vast te stellen of dezelfde verdachte daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden.

Volgens de rechtbank vertoonden de drie woninginbraken opvallende gelijkenissen. Bij alle incidenten waren de woningen volledig overhoop gehaald en werden sieraden en vergelijkbare waardevolle voorwerpen, zoals horloges en munten, meegenomen.

Bij twee inbraken was bovendien een raam met een steen ingegooid om toegang tot de woning te krijgen. Ook vonden twee inbraken rond dezelfde datum plaats in woningen die aan dezelfde straat lagen. De derde inbraak had zich kort daarvoor voorgedaan.

In combinatie met de aangetroffen gestolen goederen en de camerabeelden waren deze overeenkomsten voor de rechtbank voldoende om de verdachte ook voor de andere twee inbraken te veroordelen.

Opvallend is dat het Openbaar Ministerie voor de tweede woninginbraak vrijspraak had gevraagd. De officier van justitie vond wel dat heling van de gestolen zilveren voorwerpen kon worden bewezen. De rechtbank ging verder en oordeelde dat de verdachte daadwerkelijk de woninginbraak had gepleegd.

Verdachte pleegde opnieuw strafbare feiten tijdens toezicht

Bij het bepalen van de straf hield de rechtbank rekening met het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit zijn justitiële documentatie bleek dat hij eerder voor soortgelijke strafbare feiten was veroordeeld.

Ook het rapport van Reclassering Nederland van 13 oktober 2026 speelde een belangrijke rol. Daaruit kwam een zorgelijk beeld naar voren. De reclassering had geen contact meer met de verdachte kunnen krijgen en hij leek zich aan het toezicht te hebben onttrokken. Bovendien was hij opnieuw met de politie in aanraking gekomen.

Volgens de reclassering vormde vooral het antisociale netwerk waarin de verdachte verkeerde een groot risico. Aanvankelijk leek hij afstand te hebben genomen van personen die een negatieve invloed op hem hadden, maar zijn nieuwe contacten met politie en justitie riepen twijfels op over die ontwikkeling.

De verdachte stond tijdens het plegen van de woninginbraken al onder toezicht. Hij leek zich volgens de reclassering aanvankelijk goed aan de afspraken te houden, terwijl hij ondertussen nieuwe strafbare feiten pleegde. Daardoor ontstonden ernstige twijfels over de effectiviteit van het toezicht.

Ook gaf de verdachte onvoldoende openheid over zijn gedrag. Daardoor kon niet worden vastgesteld welke psychische of sociale problemen mogelijk een rol speelden bij de woninginbraken. De reclassering achtte nader diagnostisch onderzoek en behandeling noodzakelijk.

Rechtbank past volwassenenstrafrecht toe

Omdat de verdachte tijdens de inbraken twintig jaar oud was, moest de rechtbank beoordelen of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moest worden toegepast. Voor jongvolwassenen tussen de achttien en drieëntwintig jaar kan onder bepaalde omstandigheden nog jeugdstrafrecht worden toegepast.

De rechtbank zag daarvoor in deze zaak onvoldoende aanleiding. Daarbij werd gekeken naar de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten waren gepleegd en de ernst van de woninginbraken.

Wel hielden de rechters bij de strafoplegging rekening met zijn relatief jonge leeftijd. Zij vonden dat een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf ruimte moest bieden voor begeleiding en behandeling, zonder de ernst van de strafbare feiten uit het oog te verliezen.

De verdachte kreeg twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel bedraagt daarmee zes maanden, waarop het reeds ondergane voorarrest in mindering wordt gebracht.

Aan het voorwaardelijke strafdeel is een proeftijd van drie jaar verbonden. In die periode moet de verdachte zich melden bij de reclassering, meewerken aan ambulante behandeling en diagnostisch onderzoek en zich inspannen voor een vaste dagbesteding in de vorm van werk, scholing of andere gestructureerde activiteiten.

Ook moet hij de reclassering inzicht geven in zijn financiële situatie en sociale netwerk. De rechtbank wil daarmee voorkomen dat de verdachte opnieuw terugvalt in strafbaar gedrag.

De langere proeftijd is volgens de rechtbank noodzakelijk omdat eerdere begeleiding en toezicht onvoldoende hebben geholpen. De rechters wijzen erop dat de verdachte eerder tijdens een proeftijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en zich niet aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.

Schadevergoeding van ruim 2.500 euro toegewezen

Twee slachtoffers hadden zich als benadeelde partij bij de strafzaak gevoegd en schadevergoeding geëist.

Een van de slachtoffers vorderde 2.505,52 euro wegens de gestolen goederen en kosten die niet door de verzekering werden vergoed. Het bedrag bestond uit 2.105,52 euro voor gestolen sieraden en juwelen en tweemaal 200 euro aan eigen risico voor de woonhuis- en inboedelverzekering.

De rechtbank vond deze vordering voldoende onderbouwd en wees het volledige bedrag toe. Daarover moet de verdachte ook wettelijke rente betalen vanaf 25 december 2025.

Het andere slachtoffer had een aanzienlijk hogere schadevergoeding geëist van 41.201,50 euro. Deze vordering bestond onder meer uit de waarde van gestolen bezittingen, inkomstenverlies door niet-gewerkte weken en een bedrag vanwege slaapproblemen na de woninginbraak.

De rechtbank wees deze vordering niet inhoudelijk toe, omdat de schade onvoldoende met bewijsstukken was onderbouwd. Er ontbraken bijvoorbeeld aankoopbewijzen, taxatierapporten of andere documenten waaruit de omvang van de schade bleek.

Het slachtoffer werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat betekent dat de schadevergoeding niet via deze strafprocedure kan worden vastgesteld. Het slachtoffer kan de zaak nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Inbrekersgereedschap en kleding verbeurdverklaard

Naast de gevangenisstraf en schadevergoeding nam de rechtbank een beslissing over verschillende voorwerpen die tijdens het politieonderzoek in beslag waren genomen.

Onder meer schoenen, handschoenen, een jas, twee schroevendraaiers, een breekijzer en een plastic zak werden verbeurdverklaard. Volgens de rechtbank waren deze voorwerpen gebruikt bij de woninginbraak op eerste kerstdag.

Een in beslag genomen personenauto moet worden teruggegeven aan de moeder van de verdachte. Ook een slot dat tijdens het onderzoek was meegenomen, moet terug naar de rechtmatige eigenaar.

Met de uitspraak van 4 november 2026 maakt de rechtbank duidelijk dat woninginbraken niet alleen worden beoordeeld op de financiële waarde van de buit. Vooral de aantasting van de privacy en het veiligheidsgevoel van slachtoffers weegt zwaar. Dat de verdachte ondanks eerdere veroordelingen en toezicht opnieuw woningen binnendrong, was voor de rechters een belangrijke reden om een gevangenisstraf en een langdurige proeftijd op te leggen.