ALKMAAR – De rechtbank in Alkmaar heeft een jeugdige verdachte veroordeeld voor een reeks ernstige strafbare feiten, waaronder een steekpartij in Heiloo, twee winkeldiefstallen en het achterlaten van een zwaargewonde voetganger na een verkeersongeval in Ede. De verdachte maakte zich binnen een periode van ongeveer zes maanden schuldig aan meerdere misdrijven. Het zwaarste feit vond plaats op 17 november 2025, toen hij een slachtoffer driemaal met een mes in de rug stak. De rechtbank legde op 2 november 2026 een jeugddetentie op van 150 dagen, waarvan 102 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 40 uur. Daarnaast moet de veroordeelde 7.700 euro schadevergoeding betalen en worden twee eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraffen alsnog uitgevoerd.

De strafzaak omvatte vier afzonderlijke strafbare feiten die door het Openbaar Ministerie gezamenlijk aan de rechtbank waren voorgelegd. De verdachte stond terecht voor een poging tot zware mishandeling in Heiloo, een gewelddadige winkeldiefstal in Zwolle, een kledingdiefstal in Oisterwijk en het verlaten van een verkeersongeval in Ede waarbij een voetganger ernstig gewond raakte. De meervoudige jeugdstrafkamer behandelde de zaak op 19 oktober 2026 achter gesloten deuren.

Slachtoffer driemaal met mes in rug gestoken

Het ernstigste incident vond plaats op de avond van 17 november 2025 in Heiloo. De verdachte reed op zijn fatbike toen hij twee personen tegenkwam. Tijdens een confrontatie die daarop volgde, stak hij een van hen meerdere keren met een mes in de rug. Het slachtoffer wist het mes uiteindelijk van de verdachte af te pakken, maar verwondde daarbij ook zijn linkerduim.

Uit medisch onderzoek bleek dat het slachtoffer drie snijwonden in zijn rug en een snijwond aan zijn duim had opgelopen. Voor het letsel was behandeling in het ziekenhuis noodzakelijk. Het slachtoffer ondervindt volgens de rechtbank nog altijd gevolgen van de steekpartij, waaronder blijvende littekens.

De verdediging stelde dat de verdachte niet de bedoeling had gehad het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Volgens zijn advocaat was bovendien niet met kracht gestoken. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte door herhaaldelijk met een mes richting de rug te steken bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel had aanvaard.

Daarbij wees de rechtbank erop dat zich in het bovenlichaam verschillende kwetsbare organen bevinden. Een messteek in de rug kan deze organen raken en zonder medische behandeling zeer ernstig letsel veroorzaken. Volgens de rechters doet het er daarom niet doorslaggevend toe of de verdachte met veel kracht heeft gestoken.

De rechtbank achtte poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Beroep op zelfverdediging afgewezen

De verdachte beriep zich op noodweer en noodweerexces. Volgens zijn verklaring was hij tijdens een gevecht door twee personen op de grond gewerkt, waarna zij boven op hem lagen. Hij zou hebben geprobeerd hen van zich af te duwen, maar daarin niet zijn geslaagd. Omdat hij niet kon ontsnappen, zou hij geen andere mogelijkheid hebben gezien dan zijn mes te pakken en te steken.

De rechtbank vond deze lezing onvoldoende aannemelijk. De verklaringen over het verloop van de confrontatie verschilden aanzienlijk. Volgens het slachtoffer werd hij al gestoken toen de verdachte kwam aanfietsen, terwijl de verdachte volhield dat hij pas stak toen hij tijdens een gevecht op de grond lag.

Ook getuigenverklaringen en beschikbare beelden gaven onvoldoende duidelijkheid over het precieze moment waarop werd gestoken. Daardoor kon de rechtbank niet vaststellen dat sprake was geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanval waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen.

Het beroep op noodweer en noodweerexces werd daarom verworpen. De verdachte werd volledig strafbaar geacht voor de poging tot zware mishandeling.

Winkelmedewerker geslagen na diefstal van energiedrank

Naast de steekpartij werd de verdachte veroordeeld voor twee winkeldiefstallen. Op 4 augustus 2025 stal hij kleding uit een winkel in Oisterwijk. Op 12 november 2025 was hij samen met een ander betrokken bij een diefstal in een supermarkt in Zwolle.

Tijdens die laatste diefstal nam de verdachte een blikje Red Bull mee zonder te betalen. Een winkelmedewerker ging achter de betrokkenen aan en wist buiten het geopende blikje uit de hand van de verdachte te pakken. Vervolgens probeerde de verdachte weg te komen, waarna een achtervolging en een worsteling ontstonden.

Toen de medewerker op de grond lag, werd hij volgens de rechtbank tweemaal tegen zijn achterhoofd geslagen. De verdachte ontkende dat het geweld bewezen kon worden, maar camerabeelden en een getuigenverklaring ondersteunden het verhaal van de medewerker. De getuige beschreef onder meer hoe een jongen met een zwarte jas en groene trainingsbroek de winkelmedewerker een vuistslag gaf.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte samen met een ander de diefstal had gepleegd en daarna geweld gebruikte om zijn vlucht mogelijk te maken.

Zwaargewonde voetganger achtergelaten na aanrijding

Een ander ernstig incident vond plaats op 17 juli 2025 in Ede. De verdachte was daar als bestuurder van een motorvoertuig betrokken bij een aanrijding met een voetganger. Door gevaarlijk rijgedrag kwam hij met het slachtoffer in botsing. Ondanks de harde klap reed hij verder zonder te controleren hoe het met de voetganger ging.

Het slachtoffer liep bij de aanrijding ernstig lichamelijk letsel op, waaronder hoofdletsel en een open beenbreuk. Voor de verwondingen waren meerdere operaties noodzakelijk.

De verdachte stelde dat hij niet wist dat de voetganger gewond was geraakt en dat hij niemand in hulpeloze toestand had achtergelaten. De rechtbank verwierp dit verweer en achtte bewezen dat hij de plaats van het ongeval had verlaten terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer gewond en hulpbehoevend was.

Volgens de rechtbank valt het de verdachte zwaar aan te rekenen dat hij zich na de aanrijding aan zijn verantwoordelijkheid onttrok en het slachtoffer zonder hulp achterliet.

Rechter ziet positieve ontwikkeling bij verdachte

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige verdachte. Uit zijn strafblad bleek dat hij eerder was veroordeeld voor onder meer winkeldiefstal en mishandeling.

De Raad voor de Kinderbescherming schatte het algemene risico op herhaling als zeer hoog in. Tegelijkertijd werd het risico op basis van veranderbare omstandigheden, zoals school, vrijetijdsbesteding en middelengebruik, als laag beoordeeld. Volgens de Raad bestaan er wel belangrijke risicofactoren, waaronder problemen met agressieregulatie en de moeite die de verdachte heeft om zich aan conflictsituaties te onttrekken.

Ook vonden de betrokken hulpverleners dat de verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid nam voor zijn strafbare gedrag. Daar stond tegenover dat hij de afgelopen maanden een positieve ontwikkeling had doorgemaakt. Hij leek geen contact meer te onderhouden met een groep jongeren die negatief gedrag vertoonden en ervoer meer rust sinds zijn ouders in februari 2026 naar Nederland waren gekomen.

De jeugdreclassering meldde dat de verdachte zich beter aan afspraken hield, op zijn woonplek goed functioneerde en zich inspande op zijn werk. Hoewel zijn schoolgang nog moeizaam verliep, was ook daar verbetering zichtbaar. Volgens de hulpverlening is het belangrijk dat deze ontwikkeling wordt voortgezet en dat de verdachte intensieve begeleiding krijgt bij agressieregulatie en het omgaan met conflicten.

150 dagen jeugddetentie en aanvullende werkstraffen

Het Openbaar Ministerie had 120 dagen jeugddetentie geëist, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, en daarnaast een werkstraf van 80 uur. De verdediging had gevraagd om een taakstraf van 120 uur, waarvan de helft voorwaardelijk.

De rechtbank kwam tot een andere straf. De verdachte kreeg 150 dagen jeugddetentie opgelegd, waarvan 102 dagen voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel bedraagt daarmee 48 dagen. Omdat de verdachte al 48 dagen in voorarrest had doorgebracht, wordt deze periode op de straf in mindering gebracht.

Aan het voorwaardelijke gedeelte is een proeftijd van twee jaar verbonden. Gedurende die periode mag de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten plegen en moet hij zich houden aan de regels van zijn woonplek. Ook moet hij onderwijs, werk of een stage blijven volgen en meewerken aan hulpverlening gericht op agressieregulatie en conflictbeheersing.

Daarnaast moet hij een werkstraf van 40 uur uitvoeren. Wanneer hij deze niet of onvoldoende verricht, kan daarvoor twintig dagen jeugddetentie in de plaats komen.

De rechtbank besloot geen contactverbod met het slachtoffer van de steekpartij op te leggen. Volgens de rechters waren er geen aanwijzingen dat de verdachte had geprobeerd contact te zoeken en had hij zelf verklaard daaraan geen behoefte te hebben.

Slachtoffer steekpartij krijgt 7.700 euro schadevergoeding

Het slachtoffer van de steekpartij in Heiloo had een schadevergoeding van 8.750 euro gevorderd wegens immateriële schade. De rechtbank wees daarvan 7.700 euro toe.

Bij de berekening werd rekening gehouden met de blijvende littekens op de rug en het letsel aan de linkerduim. Voor de littekenvorming achtte de rechtbank een bedrag van 6.500 euro passend. Voor de verwonding aan de duim, waarvoor hechtingen nodig waren, werd 1.000 euro als uitgangspunt genomen. Omdat dit tweede letsel volgens de gebruikte richtlijnen voor de helft meetelt, kwam het basisbedrag uit op 7.000 euro.

De rechtbank verhoogde dit bedrag vervolgens met tien procent vanwege het ernstig verwijtbare handelen van de verdachte. Daarmee werd de uiteindelijke vergoeding vastgesteld op 7.700 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025.

De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op. Daardoor kan de Staat het toegewezen bedrag namens het slachtoffer innen.

Ook 80 uur eerdere voorwaardelijke werkstraffen uitvoeren

De uitspraak heeft bovendien gevolgen voor twee eerdere veroordelingen. In maart 2025 had de verdachte een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur gekregen. In juli van datzelfde jaar volgde nog een voorwaardelijke werkstraf van 20 uur.

Omdat hij tijdens de proeftijden opnieuw strafbare feiten pleegde, besloot de rechtbank dat beide straffen alsnog moeten worden uitgevoerd. Dat betekent dat de jeugdige naast de nieuwe werkstraf van 40 uur ook de eerdere 80 uur moet verrichten, in totaal 120 uur.

De rechtbank zag hierin, ondanks de positieve ontwikkelingen die de verdachte inmiddels doormaakt, een noodzakelijke consequentie van het herhaaldelijk overtreden van de voorwaarden. Tegelijkertijd blijft begeleiding door de jeugdreclassering belangrijk om verdere strafbare feiten te voorkomen.

De uitspraak werd op 2 november 2026 gedaan door de meervoudige jeugdstrafkamer van de rechtbank in Alkmaar en op 4 november gepubliceerd.