LONDEN – Ruim tien jaar nadat de Britten in een referendum besloten de Europese Unie te verlaten, staat de toekomst van Brexit opnieuw ter discussie. De Britse premier Andy Burnham reist op vrijdag 20 november naar Brussel om de banden met de Europese Unie aanzienlijk te versterken. Tijdens de topontmoeting met voorzitter Ursula von der Leyen van de Europese Commissie en voorzitter António Costa van de Europese Raad wil hij afspraken maken over handel, migratie, veiligheid en economische samenwerking. Opmerkelijker is dat Burnham inmiddels ook een volledige terugkeer van het Verenigd Koninkrijk naar de EU als toekomstige mogelijkheid bespreekbaar heeft gemaakt.
De politieke koerswijziging komt voort uit groeiende onvrede over de economische en maatschappelijke gevolgen van Brexit. Britse bedrijven kampen met extra handelskosten, ingewikkelde douaneprocedures en beperktere toegang tot hun belangrijkste exportmarkt. Volgens de onafhankelijke Britse begrotingswaakhond Office for Budget Responsibility (OBR) zal de Britse productiviteit op langere termijn ongeveer vier procent lager uitvallen dan wanneer het land lid van de EU was gebleven. Ook de internationale handel wordt structureel geraakt.
Burnham, die in juli 2026 het premierschap overnam van Keir Starmer, heeft inmiddels openlijk erkend dat Brexit het Verenigd Koninkrijk meer schade dan voordelen heeft gebracht. Daarmee neemt hij afstand van het politieke uitgangspunt dat jarenlang door zowel conservatieve regeringen als delen van Labour werd verdedigd: dat de beslissing om de EU te verlaten niet opnieuw ter discussie mocht worden gesteld.
Economische gevolgen van Brexit steeds duidelijker
Bij het referendum van 23 juni 2016 stemde 51,9 procent van de Britse kiezers voor vertrek uit de Europese Unie. De voorstanders beloofden meer nationale zeggenschap, strengere controle op immigratie en de vrijheid om zelfstandig handelsverdragen met andere landen te sluiten. Het Verenigd Koninkrijk verliet de EU uiteindelijk op 31 januari 2020, waarna op 1 januari 2021 de nieuwe handelsrelatie van kracht werd.
Tien jaar na het referendum is het economische beeld aanzienlijk minder gunstig dan veel voorstanders destijds voorspiegelden. Volgens de OBR zal de Britse uitvoer en invoer op langere termijn ongeveer vijftien procent lager liggen dan in een scenario waarin het land lid van de Europese Unie was gebleven. Dat betekent niet dat de handel daadwerkelijk met vijftien procent is gekrompen, maar dat de handelsstromen naar verwachting aanzienlijk kleiner zijn dan zonder Brexit het geval zou zijn geweest.
De belangrijkste oorzaak ligt bij de handelsbelemmeringen die zijn ontstaan door het vertrek uit de Europese interne markt en de douane-unie. Hoewel veel goederen onder de bestaande handelsovereenkomst zonder invoerrechten kunnen worden verhandeld, moeten bedrijven wel voldoen aan aanvullende administratieve verplichtingen, oorsprongsregels en productcontroles.
Vooral kleinere Britse ondernemingen ondervinden daarvan problemen. Waar zij voorheen relatief eenvoudig producten konden leveren aan klanten in Nederland, Duitsland en Frankrijk, moeten zij nu rekening houden met douanedocumenten, btw-regels, certificaten en extra transportkosten. Voor sommige bedrijven is export naar de Europese Unie daardoor minder aantrekkelijk geworden.
De economische afhankelijkheid van Europa is ondertussen nauwelijks veranderd. Volgens cijfers van het Britse parlement exporteerde het Verenigd Koninkrijk in 2025 voor ongeveer 384 miljard pond aan goederen en diensten naar de EU. Dat vertegenwoordigde 41 procent van de totale Britse export. Omgekeerd importeerde het land voor 472 miljard pond uit de EU, goed voor de helft van alle Britse invoer.
Dat maakt duidelijk waarom een betere handelsrelatie voor Londen economisch zo belangrijk is.
Burnham wil einde maken aan jarenlange verwijdering
Tijdens de top in Brussel wil Burnham in eerste instantie concrete afspraken maken die Britse bedrijven en consumenten direct voordeel moeten opleveren. Een van de belangrijkste onderwerpen is het verminderen van handelsbelemmeringen voor landbouwproducten, levensmiddelen en dieren.
Sinds Brexit moeten Britse voedselproducenten en landbouwbedrijven voldoen aan uitgebreide controles wanneer zij goederen naar de Europese Unie exporteren. Een nieuwe overeenkomst over voedselveiligheid en veterinaire voorschriften kan een aanzienlijk deel van die administratieve lasten verminderen. Ook voor Europese bedrijven die voedingsmiddelen naar Groot-Brittannië exporteren, zou dat voordelen opleveren.
Daarnaast wordt onderhandeld over nauwere samenwerking op het gebied van energie en klimaatbeleid. De Britse en Europese systemen voor de handel in CO2-uitstootrechten zouden beter op elkaar moeten aansluiten, waardoor grensoverschrijdende handel eenvoudiger wordt.
Ook de samenwerking tussen universiteiten en studenten staat op de agenda. Volgens een conceptverklaring waarover persbureau Reuters op 3 november berichtte, werken Londen en Brussel aan een regeling waardoor jongeren van 18 tot en met 34 jaar maximaal drie jaar in elkaars landen kunnen wonen, werken, studeren of reizen. De precieze voorwaarden zijn nog onderwerp van onderhandelingen.
Verder wordt gesproken over een Britse terugkeer naar Erasmus+, het Europese programma voor internationale studentenuitwisseling. Volgens de huidige plannen zou dat in 2027 kunnen gebeuren.
Een belangrijk discussiepunt vormen de collegegelden voor Europese studenten aan Britse universiteiten. Sinds Brexit betalen veel EU-studenten aanzienlijk hogere bedragen dan Britse studenten. Brussel wil deze ongelijkheid verminderen, terwijl Londen vreest voor inkomstenverlies bij universiteiten.
Terugkeer in de Europese Unie niet langer uitgesloten
De belangrijkste politieke verandering zit echter niet in de afzonderlijke handelsafspraken, maar in de langetermijnvisie van Burnham. Tijdens de Labour-partijconferentie eind september maakte hij duidelijk dat Groot-Brittannië verschillende mogelijkheden voor zijn toekomstige verhouding met Europa moet onderzoeken.
Daarbij noemde hij niet alleen een nauwere samenwerking binnen de bestaande Brexit-overeenkomst, maar ook toetreding tot de Europese douane-unie, deelname aan de interne markt en uiteindelijk zelfs een volledig nieuw EU-lidmaatschap.
De premier wil volgens zijn eigen verklaringen een open debat voeren over de economische en politieke gevolgen van iedere mogelijkheid. Daarmee doorbreekt hij een belangrijk taboe in de Britse politiek. Onder zijn voorganger Starmer bleef een terugkeer naar de EU, de interne markt of de douane-unie nadrukkelijk buiten het regeringsbeleid.
Burnham heeft tegelijkertijd duidelijk gemaakt dat een eventuele herinvoering van vrij verkeer van personen niet zonder referendum kan plaatsvinden. Ook verwacht hij tijdens de huidige parlementaire periode geen fundamentele verandering van het Britse EU-lidmaatschap. Een eventuele keuze voor hernieuwde toetreding zou daarom waarschijnlijk pas na de volgende Britse parlementsverkiezingen aan de orde komen.
De bijeenkomst van 20 november is dus geen formele start van onderhandelingen over EU-lidmaatschap. De top staat vooral in het teken van praktische samenwerking. Wel kan zij een belangrijke eerste stap vormen in een langdurig politiek proces waarin Groot-Brittannië zijn verhouding met Europa opnieuw bepaalt.
Meerderheid Britten wil inmiddels terug naar Europa
De koerswijziging van Burnham sluit aan bij een duidelijke verandering in de publieke opinie. Uit onderzoek van Ipsos, uitgevoerd tussen 15 en 22 oktober 2026, blijkt dat 56 procent van de Britten bij een nieuw referendum zou stemmen voor het aanvragen van EU-lidmaatschap. Dertig procent zou ervoor kiezen buiten de Europese Unie te blijven.
Vooral onder jongere Britten is de steun voor Europese samenwerking groot. Van de ondervraagden jonger dan 35 jaar is 73 procent voorstander van een nieuwe toetredingsaanvraag. Onder kiezers die in 2024 op Labour stemden, bedraagt dat percentage 77 procent.
Ook onderzoek van YouGov laat zien dat het draagvlak voor een nieuwe Europese koers is gegroeid. Begin oktober gaf 52 procent van de ondervraagden aan bij een referendum voor hernieuwd EU-lidmaatschap te kiezen, tegenover 27 procent die buiten de EU wil blijven. Tegelijkertijd vindt 64 procent dat een terugkeer eerst via een referendum aan de bevolking moet worden voorgelegd.
De cijfers laten een opmerkelijke verschuiving zien ten opzichte van 2016. Brexit was destijds een van de belangrijkste politieke beslissingen uit de moderne Britse geschiedenis. Inmiddels lijkt onder een groeiend deel van de bevolking het besef te zijn ontstaan dat de voordelen van volledige onafhankelijkheid niet automatisch opwegen tegen de economische nadelen.
Toch blijft het onderwerp sterk verdeeld. Vooral oudere kiezers en aanhangers van de Conservatieve Partij en Reform UK zijn vaker tegen een nieuwe toetreding. Zij wijzen op het belang van nationale soevereiniteit, zelfstandig immigratiebeleid en de mogelijkheid om zonder Europese inmenging eigen regelgeving vast te stellen.
Brussel staat open voor samenwerking, maar is voorzichtig
Aan Europese zijde bestaat eveneens belangstelling voor een betere relatie met het Verenigd Koninkrijk. De EU beschouwt Groot-Brittannië als een belangrijke economische en militaire partner, zeker gezien de oorlog in Oekraïne, de internationale veiligheidssituatie en de toenemende geopolitieke spanningen.
Toch zijn Europese leiders voorzichtig met het opnieuw openen van een volledige lidmaatschapsdiscussie. De onderhandelingen over Brexit verliepen jarenlang moeizaam en veroorzaakten diepe politieke verdeeldheid aan beide zijden van het Kanaal.
EU-buitenlandchef Kaja Kallas benadrukte op 2 november dat de Britse regering zich voorlopig vooral moet concentreren op deelname aan bestaande Europese samenwerkingsverbanden op defensiegebied. Een nieuwe discussie over EU-lidmaatschap zou volgens haar langdurig en politiek ingewikkeld worden.
Bovendien zou het Verenigd Koninkrijk bij een eventuele nieuwe toetreding opnieuw moeten onderhandelen over de voorwaarden van het lidmaatschap. De vroegere Britse uitzonderingsposities, waaronder de mogelijkheid om het Britse pond te behouden en buiten bepaalde Europese regelingen te blijven, zouden niet vanzelfsprekend opnieuw worden toegekend.
Burnham heeft zelf al aangegeven dat hij zich moeilijk kan voorstellen dat hij de Britten zou adviseren de euro in te voeren of toe te treden tot het Schengengebied. Dat onderstreept hoe ingewikkeld volledige terugkeer naar de Europese Unie politiek zou kunnen worden.
20 november mogelijk begin van nieuw Europees hoofdstuk
De bijeenkomst in Brussel kan daarmee een belangrijk moment worden in de verhouding tussen Groot-Brittannië en de Europese Unie. Waar jarenlang vooral werd gesproken over de uitvoering van Brexit, verschuift de discussie steeds meer naar de vraag hoe de schade van het vertrek kan worden beperkt.
De Britse regering hoopt tijdens de top concrete handelsafspraken te bereiken die miljarden ponden aan economische voordelen kunnen opleveren. Tegelijkertijd wil Burnham een breder maatschappelijk debat op gang brengen over de toekomstige positie van Groot-Brittannië binnen Europa.
Dat Brexit economisch aanzienlijke nadelen heeft veroorzaakt, wordt ondersteund door verschillende onafhankelijke onderzoeken. Of daarmee ook de politieke doelstellingen van de Brexit-voorstanders zijn mislukt, blijft onderwerp van discussie. Voorstanders hechten nog altijd grote waarde aan de herwonnen nationale bevoegdheden.
Voor Burnham is de belangrijkste uitdaging om beide werkelijkheden met elkaar te verbinden. Hij wil de economische relatie met de Europese Unie herstellen zonder de politieke verdeeldheid van het Brexit-referendum opnieuw volledig te laten escaleren.
Op 20 november zal duidelijker worden hoever Brussel en Londen bereid zijn te gaan. Een snelle terugkeer naar de EU staat niet op de agenda, maar voor het eerst sinds het vertrek wordt die mogelijkheid door een Britse premier weer serieus als toekomstige optie besproken.



