UTRECHT – De burgemeester van De Bilt mag een woning voorlopig niet sluiten, ondanks de vondst van ruim een kilo cocaïne en 80.000 euro contant geld in een auto van de bewoner. De rechtbank Midden-Nederland heeft het sluitingsbesluit geschorst omdat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom de woning drie maanden dicht moet. Volgens de rechter ontbreken een duidelijke wettelijke grondslag, een overtuigende noodzaak en een zorgvuldige belangenafweging.
De burgemeester besloot op 8 september 2026 de woning vanaf 14 september voor drie maanden te sluiten. Daarmee wilde hij voorkomen dat het pand opnieuw voor drugsactiviteiten zou worden gebruikt.
De bewoner maakte bezwaar en stapte naar de voorzieningenrechter. Die schorste de sluiting aanvankelijk op 12 september en heeft deze schorsing vervolgens verlengd.
Onderzoek naar handel in cocaïne
De zaak begon met een politieonderzoek naar drugshandel dat rond januari 2026 werd gestart. Daarbij kwam een tussenpersoon in beeld die contacten onderhield met de bewoner van het pand.
Uit afgeluisterde telefoongesprekken maakte de politie op dat de bewoner een blok cocaïne aan deze tussenpersoon had geleverd. De drugs zouden vervolgens voor 16.000 euro zijn doorverkocht.
Volgens de politie was de tussenpersoon aantoonbaar in de woning geweest.
Op 23 juni doorzocht de politie het huis. Daarbij werden verschillende goederen aangetroffen die volgens de onderzoekers verband kunnen houden met drugshandel.
Grote geldbedragen en apparatuur aangetroffen
In de woning vond de politie onder meer meerdere GPS-trackers, ongebruikte mobiele telefoons, simkaarten en twee weegschalen.
Ook werden een professionele vacuümmachine, twee liter isopropanol, vier liter ammoniak en elf gram henneptoppen aangetroffen.
Daarnaast lagen er contante geldbedragen van 700 en 15.000 euro.
De politie onderzocht ook twee auto's die door de bewoner werden gebruikt. In een voertuig dat op zijn naam stond, werden 1.004,8 gram cocaïne en 80.000 euro contant geld gevonden.
In beide auto's troffen agenten bovendien verpakkingsmateriaal en andere voorwerpen aan die volgens de politie met drugshandel in verband konden worden gebracht.
Cocaïne lag niet in de woning
De bewoner verzette zich tegen de sluiting omdat de cocaïne niet in zijn woning was aangetroffen, maar in een auto die in de buurt van het appartementencomplex stond geparkeerd.
Volgens hem maakte de auto geen onderdeel uit van zijn woning of het bijbehorende erf.
De burgemeester baseerde zijn besluit op artikel 13b van de Opiumwet. Dat artikel biedt burgemeesters onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid woningen te sluiten die worden gebruikt voor drugsactiviteiten.
De voorzieningenrechter constateerde echter dat onvoldoende duidelijk was op welke bepaling binnen dat artikel de burgemeester zich precies beriep.
Dat onderscheid is volgens de rechter belangrijk omdat aan de verschillende wettelijke gronden andere voorwaarden zijn verbonden.
Auto kan niet zomaar bij woning worden gerekend
Volgens de rechtbank kan de aangetroffen cocaïne in de auto niet zonder verdere onderbouwing worden toegerekend aan de woning.
De auto stond niet op het erf van de woning. Dat het voertuig op naam van de bewoner stond en in de buurt geparkeerd was, vond de rechter onvoldoende.
Wanneer een burgemeester een voertuig en een woning als één geheel wil beschouwen, moet daarvoor een concrete juridische en feitelijke onderbouwing worden gegeven.
Die ontbrak in het besluit.
De rechter wees er bovendien op dat de elf gram henneptoppen in de woning mogelijk wel een afzonderlijke grond voor optreden konden opleveren.
De burgemeester had zijn besluit echter niet zelfstandig op die vondst gebaseerd, maar vooral op de veronderstelling dat vanuit de woning in harddrugs werd gehandeld.
Ook voorbereidingshandelingen onvoldoende onderbouwd
De Opiumwet biedt daarnaast mogelijkheden om een woning te sluiten wanneer daar voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor de voorbereiding of uitvoering van drugscriminaliteit.
Tijdens de zitting bleek volgens de rechter onvoldoende dat de burgemeester duidelijk onderscheid maakte tussen deze wettelijke mogelijkheden.
De aanwezigheid van telefoons, chemicaliën, weegschalen en verpakkingsapparatuur betekent niet automatisch dat aan alle voorwaarden voor sluiting is voldaan.
De burgemeester had concreet moeten uitleggen waarom deze goederen in dit geval voldoende grond vormden om de woning te sluiten.
Ook die toelichting ontbrak.
Geen concrete aanwijzingen voor dreigend geweld
De burgemeester voerde aan dat de woning mogelijk doelwit kon worden van geweld vanuit het criminele circuit.
Volgens hem konden de aangetroffen drugs, grote geldbedragen en contacten met drugshandelaren aanleiding geven tot beschietingen of andere vergeldingsacties.
De aanwezigheid van chemicaliën zou bij een eventueel geweldsincident bovendien extra risico's voor omwonenden kunnen opleveren.
De voorzieningenrechter vond deze argumentatie onvoldoende.
Er waren geen concrete meldingen, politiewaarnemingen of andere aanwijzingen dat de woning daadwerkelijk werd bedreigd.
Ook hadden omwonenden verklaard geen overlast te ervaren. Volgens de rechtbank was niet gebleken van opvallende bezoekersstromen naar het pand of een verstoring van de openbare orde.
Tijdsverloop onvoldoende meegewogen
Een ander belangrijk bezwaar betrof de tijd tussen de politie-inval en het besluit van de burgemeester.
De woning werd op 23 juni doorzocht, terwijl de burgemeester pas op 8 september besloot het pand te sluiten.
In de tussenliggende periode waren volgens de beschikbare informatie geen nieuwe incidenten of overtredingen van de Opiumwet vastgesteld.
De burgemeester wees erop dat de bestuurlijke politierapportage pas op 5 augustus was ontvangen en dat daarna zorgvuldig onderzoek nodig was.
De rechter vond deze verklaring niet voldoende.
Bij de beoordeling of een woningsluiting noodzakelijk is, moet volgens de rechtbank ook worden meegewogen hoeveel tijd daadwerkelijk is verstreken sinds de gebeurtenissen die aanleiding vormden voor het besluit.
Dat was in dit geval niet gebeurd.
Bewoner dreigde huurwoning kwijt te raken
De bewoner maakte zich daarnaast grote zorgen over de gevolgen van de sluiting.
Hij stelde nergens anders te kunnen verblijven wanneer zijn woning drie maanden zou worden gesloten.
Ook vreesde hij dat woningcorporatie Woongroen de huurovereenkomst zou beëindigen en dat hij op een zwarte lijst terecht zou komen.
Een dergelijke registratie kan grote gevolgen hebben voor de mogelijkheid om opnieuw een sociale huurwoning te krijgen.
Volgens de voorzieningenrechter had de burgemeester deze persoonlijke omstandigheden moeten onderzoeken en meewegen.
De burgemeester stelde dat de bewoner onvoldoende had aangetoond welke gevolgen de sluiting voor hem zou hebben en dat hij zelf vervangende huisvesting moest regelen.
De rechtbank vond dat een te beperkte benadering.
Woonrecht vereist zorgvuldige afweging
De rechter benadrukte dat het sluiten van een woning een ingrijpende maatregel is die raakt aan het fundamentele recht op respect voor de woning.
Een burgemeester moet daarom niet alleen aantonen dat hij wettelijk bevoegd is om op te treden, maar ook dat sluiting noodzakelijk en evenwichtig is.
Daarbij moeten de gevolgen voor de bewoner zorgvuldig worden afgewogen tegen het belang van de openbare orde en de bestrijding van drugscriminaliteit.
Volgens de rechtbank was dat onvoldoende gebeurd.
De burgemeester had onder meer moeten onderzoeken welke gevolgen de sluiting zou hebben voor de huisvesting van de bewoner en zijn mogelijkheden om daarna terug te keren.
Bewoner mag voorlopig blijven
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van de bewoner een redelijke kans van slagen heeft.
Daarom blijft het sluitingsbesluit geschorst tot één week nadat de burgemeester een beslissing op het bezwaar heeft bekendgemaakt.
Dat betekent dat de bewoner voorlopig in zijn woning mag blijven.
De uitspraak betekent niet dat de burgemeester de woning definitief niet meer mag sluiten. Wel moet hij, wanneer hij het besluit wil handhaven, beter onderbouwen op welke wettelijke grondslag hij zich beroept en waarom sluiting noodzakelijk is.
Ook moet hij de persoonlijke gevolgen voor de bewoner zorgvuldig onderzoeken.
Gemeente moet proceskosten betalen
Omdat de bewoner in de voorlopige procedure gelijk heeft gekregen, moet de burgemeester het betaalde griffierecht van 200 euro vergoeden.
Daarnaast moet de gemeente 1.868 euro aan proceskosten betalen.
De uitspraak laat zien dat een ernstige verdenking van betrokkenheid bij drugshandel niet automatisch voldoende is om een woning te sluiten.
Ook wanneer grote hoeveelheden drugs en contant geld worden aangetroffen, moet een burgemeester aantonen dat de wettelijke voorwaarden voor sluiting van juist die woning zijn vervuld.
In deze zaak vond de rechter dat die onderbouwing op meerdere belangrijke punten ontbrak.




