WASHINGTON – Donald Trump keerde in januari 2025 terug in het Witte Huis met een duidelijke belofte aan zijn kiezers: Amerika zou geen nieuwe oorlogen beginnen. Hij presenteerde zichzelf als de president die internationale conflicten door onderhandelingen kon beëindigen, Amerikaanse militairen uit gevaarlijke buitenlandse missies zou houden en zich vooral zou richten op de problemen in eigen land. Nog geen veertien maanden later begon hij samen met Israël een oorlog tegen Iran. Acht maanden na het uitbreken van dat conflict zijn tientallen miljarden dollars uitgegeven, Amerikaanse militairen omgekomen, de energieprijzen fors gestegen en hebben de Republikeinen hun meerderheid in het Congres verloren. Daarmee dreigt Iran voor Trump uit te groeien tot wat critici zijn politieke Waterloo noemen.
De vergelijking met Waterloo, de veldslag die in 1815 een definitief einde maakte aan de macht van Napoleon, is politiek gezien veelzeggend. Trump heeft geen militaire nederlaag geleden die vergelijkbaar is met die van Napoleon. Wel heeft de oorlog een belangrijk deel van zijn politieke geloofwaardigheid aangetast. De president die beloofde Amerika buiten nieuwe oorlogen te houden, moet nu zelf uitleggen waarom hij een langdurige militaire confrontatie begon waarvan het einde nog altijd niet in zicht is.
De president die vrede beloofde
Tijdens de presidentsverkiezingen van 2024 maakte Trump zijn afkeer van langdurige buitenlandse oorlogen tot een belangrijk onderdeel van zijn campagne. Hij wees herhaaldelijk op de kostbare Amerikaanse militaire operaties in Afghanistan en Irak en beschuldigde de politieke elite in Washington ervan Amerikaanse levens en belastinggeld te verspillen aan buitenlandse conflicten.
Trump benadrukte dat tijdens zijn eerste presidentsperiode geen grote nieuwe oorlog was begonnen. Hij presenteerde zichzelf als een leider die door economische druk, diplomatie en de dreiging van militair optreden internationale tegenstanders tot concessies kon bewegen.
Die boodschap sloot aan bij een belangrijk deel van zijn achterban. Vooral binnen de America First-beweging bestaat al langer weerstand tegen grootschalige Amerikaanse militaire betrokkenheid in het Midden-Oosten. Voor deze kiezers moest de regering zich richten op de Amerikaanse grens, binnenlandse veiligheid, betaalbare energie en economische groei.
De tegenstelling met de werkelijkheid werd op 28 februari 2026 zichtbaar. Op die dag begonnen de Verenigde Staten en Israël met grootschalige aanvallen op Iran. Volgens Washington waren deze noodzakelijk om de Iraanse nucleaire dreiging weg te nemen en de militaire mogelijkheden van het land te beperken.
Trump verdedigde zijn beslissing als een noodzakelijke veiligheidsmaatregel. Critici wezen er echter op dat hij daarmee precies het soort nieuwe buitenlandse oorlog begon waarvoor hij zijn kiezers jarenlang had gewaarschuwd.
In juni probeerde de president die tegenstelling te relativeren. Tijdens een interview met NBC verklaarde hij dat hij nooit had gegarandeerd dat er onder zijn leiding geen oorlog zou uitbreken. Daarmee nam hij afstand van de veel stelliger boodschap waarmee hij eerder campagne had gevoerd.
Van korte militaire operatie naar langdurige oorlog
Aanvankelijk presenteerde de Amerikaanse regering het militaire optreden tegen Iran als een operatie die binnen enkele weken belangrijke resultaten zou kunnen opleveren. De Amerikaanse en Israëlische luchtmacht richtten zich op militaire installaties, raketcapaciteiten en onderdelen van het Iraanse nucleaire programma.
Maar Iran bleek niet bereid zich na de eerste aanvallen neer te leggen bij de Amerikaanse eisen. Het land reageerde met raketten en drones tegen Israël, Amerikaanse militaire bases en andere doelen in de regio. Ook de internationale scheepvaart door de strategisch belangrijke Straat van Hormuz kwam onder zware druk te staan.
In april bereikten Washington en Teheran een tijdelijk staakt-het-vuren. Twee maanden later volgde een memorandum waarin beide landen afspraken maakten om toe te werken naar beëindiging van het conflict en bredere onderhandelingen.
Die afspraken hielden echter geen stand. Nieuwe confrontaties zorgden ervoor dat het akkoord uiteenviel. In augustus was de overeenkomst feitelijk vervallen en waren de Verenigde Staten en Iran opnieuw verwikkeld in beperkte militaire aanvallen, economische druk en dreigementen.
Het conflict veranderde daarmee in een uitputtingsoorlog waarin geen van beide partijen eenvoudig zijn politieke doelstellingen kon bereiken. De Verenigde Staten beschikten over een enorme militaire overmacht, maar Iran bleef in staat Amerikaanse belangen in het Midden-Oosten te bedreigen.
Daarmee ontstond precies het probleem dat Trump tijdens zijn verkiezingscampagne zei te willen voorkomen: een oorlog zonder duidelijk eindpunt en zonder eenvoudige mogelijkheid om zich terug te trekken.
De oorlog kost tientallen miljarden dollars
De financiële gevolgen zijn inmiddels enorm. Volgens cijfers die het Amerikaanse ministerie van Defensie aan het Congres verstrekte, had de oorlog tot 16 oktober ongeveer 47,1 miljard dollar gekost.
Het grootste deel daarvan, ongeveer 29 miljard dollar, betreft het vervangen van verschoten raketten en andere munitie. Bijna 12 miljard dollar werd uitgegeven aan militaire operaties en nog eens 6 miljard dollar aan verloren of beschadigd materieel.
Die bedragen vormen niet noodzakelijk de volledige rekening. Schade aan Amerikaanse militaire bases en infrastructuur in het Midden-Oosten is niet volledig in de berekening opgenomen. Ook toekomstige herstelwerkzaamheden, medische zorg voor gewonde militairen en langdurige militaire aanwezigheid kunnen de kosten verder verhogen.
De menselijke tol is eveneens aanzienlijk. Het Pentagon meldde eind oktober 21 overleden Amerikaanse militairen en 865 gewonden. Niet alle overlijdensgevallen hadden rechtstreeks met gevechtshandelingen te maken. Volgens de militaire gegevens kwamen achttien militairen om door Iraanse aanvallen, vliegtuigongelukken tijdens operaties of werkzaamheden met Iraanse drones.
Onderzoek van Associated Press laat bovendien zien dat Iran en aan Iran verbonden strijdgroepen meer dan 115 aanvallen uitvoerden waarbij Amerikaanse militaire installaties werden beschadigd. Op 26 bases en andere locaties werden gebouwen en militaire voorzieningen geraakt.
Voor de Amerikaanse belastingbetaler is de oorlog daardoor een kostbare onderneming geworden. Dat staat haaks op Trumps belofte om verspilling van overheidsgeld te bestrijden en meer middelen beschikbaar te houden voor binnenlandse prioriteiten.
Iran raakt de Amerikaanse economie via de olieprijs
Misschien nog belangrijker dan de directe militaire kosten zijn de economische gevolgen voor gewone Amerikanen. De oorlog heeft het internationale energietransport ernstig verstoord en de olieprijzen opgedreven.
De Straat van Hormuz is een van de belangrijkste doorgangen voor olie en vloeibaar aardgas ter wereld. Wanneer schepen daar niet veilig kunnen varen, stijgt de onzekerheid op de internationale energiemarkt. Die onzekerheid wordt vrijwel onmiddellijk zichtbaar in de prijzen van olieproducten en brandstoffen.
Op woensdag 4 november noteerde Brentolie ongeveer 104 dollar per vat. Ook de Amerikaanse olieprijs lag met bijna 97 dollar aanzienlijk hoger dan voor veel consumenten wenselijk was.
De gevolgen blijven niet beperkt tot automobilisten. Hogere dieselprijzen maken het transport van voedingsmiddelen en andere goederen duurder. Bedrijven krijgen te maken met stijgende productiekosten en huishoudens betalen uiteindelijk meer aan de pomp en in de winkel.
Dat is politiek bijzonder schadelijk voor Trump, omdat hij juist werd gekozen met de belofte de inflatie te bestrijden en het leven voor Amerikanen betaalbaarder te maken.
De combinatie van zijn handelstarieven en de economische gevolgen van de oorlog heeft die belofte onder druk gezet. Volgens een peiling van Reuters en Ipsos vond 78 procent van de ondervraagde kiezers de stijgende kosten van levensonderhoud zeer belangrijk of doorslaggevend voor hun stem.
Buitenlandse politiek werd daarmee binnenlandse politiek. De oorlog die zich duizenden kilometers van Washington afspeelt, werd voelbaar in de portemonnee van Amerikaanse gezinnen.
De Republikeinen betalen de politieke rekening
Bij de tussentijdse verkiezingen van dinsdag 3 november kregen de Republikeinen een zware nederlaag te verwerken. De Democraten veroverden de meerderheid in het Congres en wonnen ook in staten waar de Republikeinse Partij traditioneel sterk staat.
Trump erkende woensdag tegenover Fox News dat de oorlog met Iran een rol had gespeeld bij de verliezen van zijn partij.
Dat betekent niet dat Iran de enige oorzaak van de verkiezingsuitslag was. Ook de inflatie, economische onzekerheid, zorgen over de democratische rechtsstaat en onvrede over het functioneren van de regering waren belangrijke onderwerpen.
Maar juist de oorlog maakte de economische problemen moeilijker te bestrijden. De president kon zijn kiezers niet langer eenvoudig uitleggen dat stijgende prijzen uitsluitend werden veroorzaakt door het beleid van zijn voorgangers of door buitenlandse economische ontwikkelingen.
Een peiling van Reuters en Ipsos van 2 november liet zien dat nog slechts 32 procent van de Amerikanen tevreden was over het functioneren van Trump als president. Daarmee naderde hij zijn laagste waarderingscijfers.
Uit onderzoek onder kiezers op verkiezingsdag bleek bovendien dat ongeveer vier op de tien Amerikanen hun stem mede gebruikten om oppositie tegen Trump uit te drukken. Minder dan twee op de tien kiezers wilden juist hun steun aan de president laten blijken.
Zijn partij verloor daarmee niet alleen zetels, maar ook het politieke voordeel van een Republikeinse meerderheid die zijn plannen relatief eenvoudig kon ondersteunen.
Ook binnen America First ontstaat een tegenstelling
De oorlog raakt aan een fundamenteel vraagstuk binnen Trumps eigen politieke beweging. America First betekent voor een deel van de achterban dat de Verenigde Staten internationaal sterk moeten optreden en hun militaire macht moeten gebruiken om tegenstanders af te schrikken.
Voor een ander deel betekent het juist dat Amerika niet opnieuw betrokken moet raken bij langdurige oorlogen waarvan het land nauwelijks rechtstreeks voordeel ondervindt.
Die twee opvattingen komen door Iran steeds nadrukkelijker tegenover elkaar te staan. Voorstanders van de militaire operatie wijzen erop dat het Iraanse nucleaire programma en de raketcapaciteit een gevaar vormen voor Israël, Amerikaanse militaire bases en regionale bondgenoten.
Tegenstanders vragen waarom de Verenigde Staten opnieuw tientallen miljarden dollars besteden aan een oorlog zonder duidelijk einddoel, terwijl in eigen land grote economische en maatschappelijke problemen bestaan.
Daarbij speelt ook de Amerikaanse relatie met Israël een belangrijke rol. Het Israëlische veiligheidsbelang en de Amerikaanse economische en strategische belangen lopen niet op ieder onderdeel automatisch gelijk.
De regering-Trump moet nu bepalen hoeveel militaire en financiële steun zij bereid is te blijven geven wanneer Israël verdere aanvallen op Iran noodzakelijk vindt, maar Washington juist een diplomatieke uitweg zoekt.
Iran militair verzwakt, maar politiek niet verslagen
Een belangrijk probleem voor Trump is dat militaire successen niet automatisch leiden tot politieke resultaten. De Verenigde Staten en Israël hebben grote schade toegebracht aan Iraanse militaire installaties en nucleaire infrastructuur. Maar Iran heeft zijn verzet niet opgegeven.
Het land blijft voorwaarden stellen aan de beëindiging van het conflict en beschikt nog altijd over middelen om economische en militaire druk uit te oefenen.
De Iraanse regering wil onder meer dat Amerikaanse sancties worden opgeheven, de Amerikaanse maritieme blokkade wordt beëindigd en bevroren Iraanse tegoeden worden vrijgegeven. Ook verlangt Teheran garanties voordat de Straat van Hormuz volledig wordt heropend.
Washington wil juist concessies over het nucleaire programma en de veiligheid in de regio.
Hierdoor is een diplomatieke patstelling ontstaan. Trump kan de militaire druk verder opvoeren, maar loopt daarmee het risico dat Iran opnieuw Amerikaanse bases, scheepvaart of bondgenoten aanvalt. Hij kan ook onderhandelen, maar moet dan mogelijk genoegen nemen met een akkoord dat minder ver gaat dan zijn oorspronkelijke eisen.
Een snelle en overtuigende overwinning is daarmee steeds moeilijker te presenteren.
Nieuwe Democratische meerderheid vergroot de druk
De verkiezingsnederlaag maakt Trumps positie nog ingewikkelder. Vanaf januari 2027 krijgen de Democraten meer mogelijkheden om de regering te controleren en invloed uit te oefenen op de financiering van het militaire beleid.
Het Congres kan onderzoeken openen naar het besluit om de oorlog te beginnen, de militaire kosten, de inlichtingen waarop de regering zich baseerde en de doelstellingen die Washington daadwerkelijk probeert te bereiken.
Ook kunnen Democratische parlementariërs proberen nieuwe financiering afhankelijk te maken van politieke voorwaarden of de president via bestaande wetgeving tot meer verantwoording te dwingen.
Toch blijven de mogelijkheden van het Congres begrensd. Trump blijft president en opperbevelhebber van de strijdkrachten. Hij behoudt zijn vetorecht en beschikt over aanzienlijke bevoegdheden bij militaire operaties en buitenlandse onderhandelingen.
De situatie kan daardoor uitlopen op een langdurig politiek conflict tussen het Witte Huis en het Congres, waarbij de oorlog tegen Iran voortdurend onderwerp van discussie blijft.
De schaduw van Irak en Afghanistan
De historische vergelijking met eerdere Amerikaanse oorlogen dringt zich steeds sterker op. Ook president George W. Bush begon na de aanslagen van 11 september 2001 militaire operaties die aanvankelijk relatief snel tot resultaten leken te leiden.
In Afghanistan werd het Talibanbewind verdreven en in Irak viel het regime van Saddam Hoessein. Maar beide conflicten ontwikkelden zich tot langdurige en kostbare oorlogen waarin militaire overmacht niet voldoende bleek om politieke stabiliteit te bereiken.
Trump heeft altijd nadrukkelijk afstand genomen van die periode. Hij bekritiseerde de Amerikaanse interventies en stelde dat Washington zich te veel had bemoeid met de binnenlandse politiek van andere landen.
Juist daarom is de oorlog tegen Iran voor zijn politieke nalatenschap zo riskant. Hij dreigt geconfronteerd te worden met dezelfde vragen die eerdere presidenten achtervolgden: wat is het uiteindelijke doel, hoeveel Amerikaanse levens en hoeveel belastinggeld mag dat kosten en wanneer is de oorlog werkelijk voorbij?
Daarbij moet worden benadrukt dat de situatie in Iran niet identiek is aan de oorlogen in Irak en Afghanistan. Er is vooralsnog geen vergelijkbare langdurige Amerikaanse grondbezetting van het land. Maar het ontbreken van een helder politiek eindpunt vormt wel een overeenkomst.
De uitweg wordt steeds smaller
Qatar en andere landen in het Midden-Oosten proberen momenteel een diplomatieke oplossing te bereiken. Er wordt gesproken over het beëindigen van de vijandelijkheden, het opheffen van blokkades en mogelijke afspraken over het Iraanse nucleaire programma.
Op 3 november bleek echter dat Washington en Teheran nog ver van een overeenkomst verwijderd waren. Tegelijkertijd voerden Amerikaanse strijdkrachten beperkte aanvallen uit op Iraanse doelen bij de Straat van Hormuz.
Die aanvallen waren extra opvallend omdat Trump eerder had aangekondigd dat de Verenigde Staten vóór de tussentijdse verkiezingen geen nieuwe aanvallen op Iran zouden uitvoeren.
De president blijft ondertussen wisselende signalen afgeven. Het ene moment dreigt hij met nieuwe militaire operaties, het andere moment benadrukt hij dat een overeenkomst mogelijk is en dat hij verdere escalatie wil vermijden.
Voor bemiddelaars, bondgenoten en financiële markten maakt die onvoorspelbaarheid het moeilijk om vast te stellen welke koers Washington daadwerkelijk volgt.
Wordt Iran definitief Trumps Waterloo?
De term Waterloo is voorlopig vooral een politieke vergelijking. Trump heeft nog ruim twee jaar van zijn presidentschap te gaan en kan de gevolgen van de oorlog mogelijk beperken wanneer alsnog een houdbaar diplomatiek akkoord wordt bereikt.
Ook kan de Amerikaanse regering aanvoeren dat het Iraanse militaire vermogen aanzienlijk is verzwakt en dat daarmee belangrijke veiligheidsdoelen zijn gerealiseerd.
Maar de politieke schade is inmiddels zichtbaar. De oorlog heeft veel meer tijd en geld gekost dan aanvankelijk werd voorgesteld, heeft Amerikaanse militairen het leven gekost, verhoogt de economische druk op huishoudens en heeft bijgedragen aan een verkiezingsnederlaag die Trump zijn meerderheid in het Congres kostte.
Zijn grootste probleem is misschien niet dat Iran militair sterker zou zijn dan de Verenigde Staten. Dat is het niet. Het probleem is dat de Amerikaanse militaire overmacht niet heeft geleid tot de snelle, definitieve politieke overwinning die nodig was om de oorlog aan zijn kiezers uit te leggen.
Trump kwam aan de macht met de boodschap dat hij de fouten van eerdere Amerikaanse presidenten niet zou herhalen. Nu wordt hij zelf geconfronteerd met de gevolgen van een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten.
Of Iran uiteindelijk zijn definitieve politieke Waterloo wordt, zal afhangen van de komende maanden. Maar één conclusie dringt zich inmiddels op: de president die beloofde Amerika uit nieuwe oorlogen te houden, heeft zijn eigen politieke positie ernstig onder druk gezet door er zelf een te beginnen.



