DEN HAAG – Het Nederlandse inburgeringsstelsel kampt nog altijd met lange wachttijden, tegenvallende slagingspercentages en een beperkte arbeidsparticipatie onder statushouders. Van de nieuwkomers die in 2022 inburgeringsplichtig werden, had eind 2025 slechts 28 procent aan de inburgeringsplicht voldaan. Tegelijkertijd slagen degenen die hun traject afronden vaker op een hoger taalniveau dan onder het vorige stelsel. Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie wil de problemen aanpakken door nieuwkomers eerder aan het werk te helpen, inburgering en betaald werk beter te combineren en onder bepaalde voorwaarden de inburgeringstermijn aanzienlijk te verlengen.

Dat blijkt uit de Verzamelbrief Inburgering die Aartsen op donderdag 5 november 2026 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De minister bespreekt daarin de resultaten van de Wet inburgering 2021, de Zelfredzaamheidsroute, fraude met inburgeringsexamens, de financiële problemen van taalaanbieders en maatregelen tegen eergerelateerd geweld. Het kabinet wil dat eind 2030 ongeveer 75.000 meer statushouders aan het werk zijn dan eind 2026.

Slechts 28 procent heeft inburgering afgerond

De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek laten zien dat het nieuwe inburgeringsstelsel moeite heeft om mensen binnen de gestelde termijn van drie jaar naar een afgerond traject te begeleiden. Van alle personen die in 2022 inburgeringsplichtig werden, had eind 2025 ongeveer 28 procent aan de wettelijke verplichtingen voldaan.

Dat percentage is inmiddels gestegen. Uit gegevens van DUO blijkt dat op 1 augustus 2026 ongeveer 48 procent van deze groep het inburgeringstraject succesvol had afgerond. Nog eens 38 procent was op dat moment inburgeringsplichtig. De overige 14 procent was om andere redenen uitgestroomd, bijvoorbeeld vanwege een vrijstelling op basis van een Nederlands diploma.

Bij een kleinere groep van 4.900 personen voor wie het persoonlijke inburgeringsplan al in 2022 was vastgesteld, lag het aandeel geslaagden eind 2025 hoger. Van hen hadden 2.400 personen, oftewel 49 procent, hun diploma of certificaat behaald.

De cijfers laten volgens de minister zien dat het stelsel geleidelijk beter functioneert, maar ook dat veel inburgeraars langer nodig hebben dan de oorspronkelijke termijn. Het cohort uit 2022 omvat ongeveer 26.000 personen. Een jaar later ging het al om ruim 35.000 nieuwkomers.

Er is ook positief nieuws. Van degenen die eind 2025 aan hun inburgeringsplicht hadden voldaan, behaalde 55 procent examens op taalniveau B1 of hoger. Daarvan slaagde 9 procent volledig op B2-niveau, 5 procent gedeeltelijk op B1 en B2 en 41 procent volledig op B1.

Onder het vorige inburgeringsstelsel uit 2013 lag het aandeel dat na drie jaar examens op B1-niveau of hoger aflegde volgens de minister op slechts 2 procent. De hogere taaleis lijkt daarmee effect te hebben voor de mensen die hun traject succesvol afronden.

Nieuwkomers wachten maanden voordat zij kunnen beginnen

Een van de grootste knelpunten is de tijd die verloren gaat voordat een nieuwkomer daadwerkelijk met inburgeren kan beginnen. Volgens het CBS moesten asielstatushouders die in 2022 inburgeringsplichtig werden gemiddeld 25 weken wachten voordat zij zich in een gemeente konden vestigen.

Daarna duurde het gemiddeld nog eens achttien weken voordat hun persoonlijke Plan Inburgering en Participatie (PIP) was vastgesteld. Pas daarna kan het verdere traject volgens de afgesproken leerroute worden ingericht.

De lange doorlooptijden worden onder meer veroorzaakt door de woningnood, personeelstekorten bij gemeenten, een tekort aan docenten Nederlands als tweede taal en vertraging bij het waarderen van buitenlandse diploma's.

Ook de onverwacht hoge instroom speelde een rol. In 2022 werden 18.640 asielstatushouders inburgeringsplichtig, terwijl vooraf rekening was gehouden met 9.100 personen. Het aantal lag daarmee meer dan twee keer zo hoog als verwacht.

De wachttijden zijn inmiddels enigszins verkort. Voor asielstatushouders daalde de gemiddelde periode tussen huisvesting en vaststelling van het PIP van achttien naar vijftien weken. Bij gezinsmigranten ging deze terug van 24 naar 22 weken.

Volgens de minister zijn deze verbeteringen onvoldoende. Gemeenten moeten sneller werken en statushouders mogen niet onnodig lang in opvanglocaties blijven wachten op een woning of inburgeringsactiviteiten.

75.000 extra statushouders aan het werk in 2030

Aartsen wil dat deelname aan de arbeidsmarkt veel eerder begint. Uit CBS-gegevens blijkt dat de arbeidsparticipatie onder statushouders de afgelopen jaren weliswaar is verbeterd, maar dat nog altijd een groot deel niet werkt.

Van de groep die in 2022 inburgeringsplichtig werd, had negen maanden na vestiging in een gemeente 12 procent betaald werk. Voor het cohort van 2023 steeg dit naar 16 procent en voor de groep uit 2024 naar 27 procent.

Ook naarmate mensen langer in Nederland verblijven, neemt hun deelname aan de arbeidsmarkt toe. Van het cohort uit 2022 had in het eerste jaar na vestiging 20 procent gewerkt, in het tweede jaar 28 procent en in het derde jaar 36 procent.

De minister vindt deze ontwikkeling positief, maar onvoldoende. Volgens hem staat ongeveer 70 procent van de statushouders na twee jaar in de gemeente nog aan de zijlijn van de arbeidsmarkt.

Met de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers wil het kabinet daarom inzetten op een actievere opvangperiode, snellere toegang tot werk en betere mogelijkheden om Nederlandse taallessen te combineren met een baan.

Eind 2026 hebben naar verwachting ongeveer 95.000 statushouders die sinds 2014 zijn ingestroomd betaald werk. Het kabinet wil dit aantal tegen december 2030 met 75.000 verhogen.

Werkende inburgeraars krijgen mogelijk drie jaar extra

Een belangrijke beleidswijziging is dat nieuwkomers die voldoende werken meer tijd kunnen krijgen om hun inburgering af te ronden.

Wie gedurende minimaal drie maanden ten minste 28 uur per week heeft gewerkt, kan straks een verlenging van de inburgeringstermijn aanvragen. Deze verlenging kan oplopen tot maximaal drie jaar.

Daarmee wil Aartsen voorkomen dat betaald werk en inburgeringsverplichtingen elkaar in de weg zitten. Wie overdag werkt, heeft immers minder tijd om lessen te volgen of zich voor examens voor te bereiden.

Ook voor ouders die geen kinderopvang kunnen vinden, komt een aanvullende mogelijkheid. Wanneer een tekort aan opvangplaatsen het volgen van taallessen onmogelijk maakt, kan de inburgeringstermijn met maximaal één jaar worden verlengd.

Volgens de minister treft dit probleem vooral vrouwen, omdat zij vaker verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse zorg voor jonge kinderen. De aanpassingen moeten in de eerste helft van 2027 in werking treden.

Bijna een derde van de statushouders volgt de Z-route

De minister maakt zich daarnaast zorgen over het relatief grote aantal mensen dat wordt ingedeeld in de Zelfredzaamheidsroute, beter bekend als de Z-route.

Deze leerroute is bedoeld voor mensen die weinig of geen onderwijs hebben gevolgd en voor wie het behalen van een hoger Nederlands taalniveau moeilijk haalbaar is. De nadruk ligt daarom op praktische taalvaardigheid, zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname.

Ongeveer 30 procent van de asielstatushouders wordt in deze route geplaatst. Bij gezinsmigranten bedraagt dat aandeel ongeveer 7 procent.

Van de asielstatushouders in de Z-route heeft 68 procent een alfabetiseringscursus nodig. De route omvat onder meer 800 uur taalonderwijs en voor asielstatushouders daarnaast 800 uur participatieactiviteiten. Ook de verplichte onderdelen over de arbeidsmarkt en Nederlandse kernwaarden moeten worden gevolgd.

Volgens onderzoek heeft slechts 17 procent van de deelnemers aan de Z-route betaald werk verricht. Een kwart deed vrijwilligerswerk.

Aartsen vindt de instroom in deze route hoog en wil meer mogelijkheden creëren om deelnemers naar betaald werk te begeleiden. Daarbij denkt hij onder meer aan extra startbanen in 2027.

Negen fraudezaken met inburgeringsexamens

De verzamelbrief bevat ook nieuwe informatie over fraude met het basisexamen inburgering buitenland. Dit examen is voor bepaalde gezinsmigranten en geestelijke bedienaren een voorwaarde om een machtiging tot voorlopig verblijf te verkrijgen.

Eerder werden acht gevallen ontdekt waarin vermoedelijk vervalste bewijzen van een succesvol afgelegd examen waren gebruikt. DUO en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hebben vervolgens een aselecte steekproef uitgevoerd onder 105 dossiers.

Daarbij werd één nieuwe onrechtmatigheid aangetroffen waarbij eveneens vermoedelijk sprake is van fraude. Daarmee komt het totaal op negen zaken.

In alle negen gevallen is aangifte gedaan. Ook zijn de controles op aanvragen aangescherpt. Wanneer IND-medewerkers twijfelen aan de juistheid van een examenbewijs, nemen zij voortaan contact op met DUO om de gegevens te controleren.

Taalaanbieders komen financieel in de knel

Een ander probleem betreft de financiële positie van organisaties die Nederlandse taallessen verzorgen. Uit onderzoek van onderzoeksbureau AEF blijkt dat de vergoedingen die gemeenten betalen in veel gevallen niet voldoende zijn om de werkelijke kosten te dekken.

Voor het onderzoek werden financiële gegevens verzameld van twaalf taalaanbieders, verdeeld over zes publieke en zes private organisaties. Het ging om veertig contracten die betrekking hadden op de B1-route in 84 gemeenten en de Z-route in 64 gemeenten.

De kosten verschillen sterk per aanbieder en per contract. Daarbij spelen personeelskosten, leslocaties, lesmateriaal, groepsgrootte en de afspraken met gemeenten een rol.

Opvallend is dat het gemiddelde verzuim onder cursisten ongeveer 20 procent bedraagt. Hierdoor worden lessen niet altijd volledig benut, terwijl aanbieders wel kosten maken.

De minister wil dat gemeenten en taalaanbieders betere afspraken maken over tarieven, indexering en de verdeling van financiële risico's. Ook het terugdringen van verzuim en het beperken van het aantal instroommomenten kunnen volgens hem helpen.

Omdat het onderzoek op een beperkt aantal aanbieders is gebaseerd, noemt de minister de conclusies een eerste indicatie. De uitkomsten zijn niet zonder meer representatief voor alle Nederlandse taalaanbieders.

Meer aandacht voor eergerelateerd geweld en vrouwenrechten

Tot slot gaat Aartsen in op de bescherming van vrouwen en de aanpak van eergerelateerd geweld binnen de inburgering. De Tweede Kamer nam in september 2025 een motie van Joost Eerdmans aan waarin het kabinet werd opgeroepen hier expliciet aandacht aan te besteden.

Volgens de minister maakt het recht op zelfbeschikking inmiddels op verschillende momenten deel uit van het verplichte inburgeringsprogramma.

Nieuwkomers krijgen onder meer uitleg over de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, lichamelijke integriteit en het recht om eigen keuzes te maken. In de eindtermen van het examen Kennis Nederlandse Maatschappij zijn sinds juli 2025 ook expliciete voorbeelden opgenomen van huiselijk geweld, meisjesbesnijdenis en eerwraak.

Daarnaast wil het kabinet dat gemeenten beter letten op signalen van onveiligheid. Vooral vrouwen die weinig sociale contacten hebben, kunnen kwetsbaar zijn wanneer zij afhankelijk zijn van hun partner of familie.

Daarom wordt ook gewerkt aan de opbouw van sociale netwerken waarop vrouwelijke inburgeraars kunnen terugvallen, zowel tijdens als na hun inburgering.

De regering laat het volledige inburgeringsstelsel in de tweede helft van 2027 evalueren. Uit die evaluatie moet blijken welke onderdelen van de Wet inburgering 2021 verder moeten worden aangepast.

Voorlopig laten de cijfers een gemengd beeld zien. Nieuwkomers behalen vaker een hoger taalniveau en vinden sneller betaald werk, maar lange wachttijden, achterblijvende slagingspercentages en financiële problemen bij taalaanbieders blijven grote knelpunten. Het kabinet wil daarom de nadruk verleggen van wachten en uitsluitend taallessen volgen naar zo snel mogelijk deelnemen aan de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt.