Er was een tijd dat de VVD zichzelf met overtuiging presenteerde als de partij van hardwerkend Nederland. De partij van de ondernemer die 's morgens vroeg zijn winkel opent, de werknemer die overuren maakt, het gezin dat iedere maand de hypotheek moet betalen en de zelfstandige die met eigen geld en risico een bestaan probeert op te bouwen. Wie werkte, verantwoordelijkheid nam en zijn eigen broek ophield, zou bij de VVD aan het juiste adres zijn. Maar ik vraag mij steeds vaker af voor wie deze partij tegenwoordig eigenlijk nog bestaat. Want zodra het over belastingen, vermogens en de verdeling van de rekening gaat, lijkt de VVD plotseling een opmerkelijk goed gehoor te hebben voor mensen met een goedgevulde beleggingsportefeuille.

De gewone werknemer mag ondertussen vooral blijven werken. Liefst wat langer, wat meer uren en als het even kan met minder zekerheid. Want werken moet lonen, zo klinkt het eeuwige liberale mantra. Een prachtige uitspraak, totdat je je afvraagt voor wie het inmiddels het meeste loont. Voor degene die iedere ochtend om zes uur opstaat om naar zijn werk te gaan? Of voor degene die rustig kan afwachten hoeveel zijn aandelen, vastgoed en andere bezittingen weer in waarde zijn gestegen?

Die vraag lijkt ook steeds meer kiezers bezig te houden. Want de VVD zakt weg in de peilingen, en niet zo'n beetje ook.

Van regeringspartij naar politieke middenmoter

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van oktober 2025 behaalde de VVD nog 22 zetels. Inmiddels is daar in de peilingen weinig van over. Maurice de Hond kwam op 23 oktober uit op slechts twaalf zetels. Ipsos I&O noteerde er op 14 oktober vijftien en Verian kwam eind oktober op zestien. De Peilingwijzer plaatste de partij op 28 oktober ergens tussen de veertien en achttien zetels.

Natuurlijk zijn peilingen geen verkiezingsuitslagen. Maar wanneer verschillende onderzoeksbureaus dezelfde neerwaartse beweging laten zien, kun je moeilijk blijven volhouden dat er niets aan de hand is. Er verdwijnt vertrouwen. En misschien nog belangrijker: er verdwijnt herkenbaarheid.

Het wordt nog pijnlijker wanneer je kijkt naar de waardering voor partijleider Dilan Yeşilgöz. In oktober kreeg zij van de ondervraagden bij Ipsos I&O gemiddeld een 3,7. Maar liefst 45 procent van de kiezers noemde de VVD als een partij die het tijdens de politieke en financiële beschouwingen slecht had gedaan. Ook kreeg de partij opvallend vaak de schuld van het vastlopen van de begrotingsonderhandelingen.

Dat zijn geen cijfers om achteloos weg te lachen. Het zijn signalen van een partij die zichzelf steeds minder goed weet uit te leggen aan de samenleving.

En toch lijkt de VVD vooral bezig met de vraag hoe ze haar vertrouwde fiscale stokpaardjes overeind kan houden.

De werkende Nederlander mag betalen, de vermogende Nederlander moet worden beschermd

Neem de discussie over de belasting op vermogen. Terwijl veel werkende Nederlanders worstelen met de prijzen van boodschappen, energie, verzekeringen en woonlasten, maakt de VVD van lagere belastingen op vermogen een van haar belangrijkste politieke speerpunten.

In de onderhandelingen over de begroting voor 2027 presenteerde de partij met zichtbare tevredenheid dat er de komende jaren miljarden euro's minder aan belasting in box 3 worden geheven. Ook moet het tarief in box 2 de komende vier jaar omlaag. Daarmee worden onder meer ondernemers en aandeelhouders geholpen die inkomen uit hun eigen bv ontvangen.

Nu is er op zichzelf niets mis mee om oneerlijke belastingheffing aan te pakken. Belasting betalen over rendement dat nooit daadwerkelijk is behaald, kan bijzonder onredelijk zijn. Ook kleine spaarders verdienen bescherming. En natuurlijk zijn ondernemers van groot belang voor onze economie.

Maar wat mij stoort, is de politieke prioriteit.

Wanneer het over de vermogensbelasting gaat, lijkt de VVD iedere denkbare inspanning te willen leveren om de lasten te verlagen. Wanneer het over de bestaanszekerheid van werknemers gaat, verandert de toon. Dan moeten regelingen worden hervormd, moet de sociale zekerheid betaalbaar blijven en moet vooral worden voorkomen dat mensen te afhankelijk worden van de overheid.

Waarom wordt een belasting op vermogen zo gemakkelijk gezien als een bedreiging voor economische vooruitgang, terwijl een werknemer die zijn baan verliest vooral te horen krijgt dat hij zo snel mogelijk weer aan het werk moet?

De verkorting van de WW van twee naar één jaar, zoals die in het coalitieakkoord werd voorzien, is daarvan een voorbeeld. Dat plan is inmiddels uitgesteld, maar de oorspronkelijke keuze zegt wel iets over de politieke richting. De bescherming van mensen die buiten hun schuld werkloos raken, kon kennelijk ter discussie worden gesteld. Terwijl het beschermen van vermogen voor de VVD een principiële zaak blijft.

De middenklasse bestaat bij de VVD vooral tijdens verkiezingen

Natuurlijk zal de VVD wijzen op de 450 miljoen euro extra die bij de begrotingsonderhandelingen werd uitgetrokken voor de koopkracht van werkenden. Op het verlagen van lasten op arbeid en op de plannen om kinderopvang vrijwel gratis te maken. Dat zijn maatregelen waarvan werkende gezinnen daadwerkelijk kunnen profiteren.

Maar de vraag is of zulke maatregelen voldoende zijn om de fundamentele scheefgroei in onze samenleving aan te pakken.

Want wat heb je aan een bescheiden belastingvoordeel wanneer je de huur nauwelijks kunt betalen? Wat schiet je op met een paar tientjes extra wanneer je energierekening, zorgkosten en boodschappen opnieuw duurder worden? En hoeveel vertrouwen kun je nog hebben in de belofte dat hard werken vanzelf tot financiële zekerheid leidt, wanneer een eigen woning voor steeds meer jonge werkenden onbereikbaar wordt?

De VVD lijkt nog altijd uit te gaan van een Nederland waarin iedereen met voldoende inzet en discipline vanzelf vooruit kan komen. Maar dat Nederland bestaat voor een groeiende groep mensen vooral op papier.

Er zijn mensen die fulltime werken en toch nauwelijks kunnen sparen. Gezinnen met twee inkomens die zich geen koopwoning kunnen veroorloven. Zelfstandigen die iedere maand opnieuw moeten afwachten of er voldoende opdrachten binnenkomen. Oudere werknemers die zich zorgen maken over hun pensioen en de jaren die zij nog moeten doorwerken.

Juist die mensen zouden zich moeten herkennen in een partij die zegt dat werken moet lonen.

Maar wanneer de VVD over het beschermen van financiële belangen spreekt, krijg ik steeds vaker de indruk dat het vooral gaat over de belangen van degenen die hun financiële zekerheid allang hebben geregeld.

De partij die alles wil hervormen, behalve de eigen overtuigingen

Wat de VVD daarnaast parten speelt, is haar hardnekkige neiging om politieke problemen steeds vanuit hetzelfde economische uitgangspunt te benaderen. Belastingen moeten omlaag, de overheid moet kleiner en ondernemers moeten meer ruimte krijgen. Daar zit een herkenbare liberale gedachte achter, maar het dreigt ook een automatische reactie op vrijwel ieder maatschappelijk vraagstuk te worden.

De woningnood? Minder regels. De druk op de zorg? Efficiënter organiseren. De problemen op de arbeidsmarkt? Meer werken stimuleren. De kosten van de sociale zekerheid? Regelingen versoberen of aanpassen. Vermogensbelasting? Die moet vooral niet te hoog worden.

Ik mis daarbij steeds vaker de vraag wat voor samenleving we eigenlijk willen achterlaten.

Een economie is meer dan een verzameling bedrijfsresultaten en belastingtarieven. Een samenleving bestaat ook uit mensen die niet onmiddellijk financieel rendement opleveren. Uit ouderen die zorg nodig hebben, werknemers die ziek worden, jonge gezinnen die een huis zoeken en kinderen die goed onderwijs verdienen.

De VVD presenteert zichzelf graag als de partij van verantwoordelijkheid. Maar verantwoordelijkheid houdt ook in dat sterke schouders een evenredig deel van de gezamenlijke lasten dragen. Niet omdat succes bestraft moet worden, maar omdat een samenleving waarin financiële voorspoed steeds afhankelijker wordt van bezit in plaats van arbeid uiteindelijk uit balans raakt.

En precies daar wringt voor mij de liberale schoen.

Is dit nog liberalisme of gewoon vermogensbeheer?

Het klassieke liberalisme draait om vrijheid, individuele ontplooiing en gelijke kansen. De gedachte dat mensen de ruimte moeten krijgen om hun leven naar eigen inzicht vorm te geven. Maar hoe vrij ben je wanneer je ondanks een volledige werkweek financieel geen stap vooruitkomt? Welke kansen heeft iemand zonder vermogende ouders op een oververhitte woningmarkt? En wat betekent individuele verantwoordelijkheid wanneer de economische uitgangspositie van mensen zo sterk verschilt?

Een partij die vrijwel automatisch bezwaar maakt tegen hogere lasten op vermogen, maar veel gemakkelijker praat over hervormingen van sociale voorzieningen, moet zich afvragen of zij nog voldoende oog heeft voor die verschillen.

Dat betekent niet dat alle VVD-kiezers rijk zijn of dat de partij uitsluitend beleid maakt voor miljonairs. Die voorstelling zou te gemakkelijk zijn. Er stemmen ook kleine ondernemers, werknemers, gepensioneerden en gewone gezinnen op de VVD. Juist daarom is de huidige ontwikkeling zo interessant.

Want blijkbaar herkennen steeds meer van die kiezers zich niet langer in de partij die jarenlang hun politieke thuisbasis was.

Sommigen vinden de VVD te links geworden. Anderen zien juist een partij die zich onvoldoende bekommert om maatschappelijke ongelijkheid. Weer anderen ergeren zich vooral aan het gebrek aan duidelijke keuzes en overtuigend leiderschap.

Dat zijn verschillende klachten, maar ze wijzen wel in dezelfde richting: de VVD weet steeds minder duidelijk te maken waar zij nog voor staat.

Heeft de VVD nog bestaansrecht?

En dan kom ik bij de vraag die binnen de partij vermoedelijk liever niet hardop wordt gesteld: heeft de VVD in haar huidige vorm nog bestaansrecht?

Natuurlijk heeft iedere democratische partij het recht om te bestaan zolang mensen haar gedachtegoed steunen. Dat geldt voor de VVD net zo goed als voor iedere andere partij. Een slechte peiling is geen reden om een politieke stroming af te schrijven.

Maar politiek bestaansrecht is voor mij meer dan alleen het aantal zetels dat een partij weet binnen te halen. Het gaat ook om de vraag welke maatschappelijke betekenis een partij nog heeft. Welke problemen zij werkelijk probeert op te lossen. En voor welke mensen zij bereid is haar nek uit te steken wanneer er moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.

De VVD kan blijven herhalen dat werken moet lonen. Ze kan blijven waarschuwen tegen hogere vermogensbelastingen en uitleggen dat ondernemers onze welvaart verdienen. Dat laatste is voor een belangrijk deel ook waar.

Maar zonder werknemers draaien die ondernemingen niet. Zonder verpleegkundigen functioneert de zorg niet. Zonder leraren bestaat er geen goed onderwijs. Zonder vrachtwagenchauffeurs komen producten niet in de winkels. Zonder bouwvakkers worden er geen woningen gebouwd.

Die mensen verdienen meer dan een plaatsje in een verkiezingsprogramma. Ze verdienen een politiek die hun financiële zekerheid minstens zo belangrijk vindt als de belastingdruk op aandelen, vastgoed en bedrijfsvermogen.

De VVD hoeft daarvoor haar liberale overtuigingen niet overboord te gooien. Maar ze zal wel opnieuw moeten uitleggen wat vrijheid en gelijke kansen betekenen voor mensen die geen aanzienlijk vermogen achter de hand hebben.

Zolang dat niet gebeurt, blijft de partij kwetsbaar voor de indruk dat zij vooral goed weet wat vermogend Nederland nodig heeft, maar het contact met het gewone werkende Nederland langzaam verliest.

Misschien is dat uiteindelijk wel de belangrijkste verklaring voor de dalende peilingen. Niet dat Nederlanders massaal afscheid nemen van het liberalisme, maar dat steeds minder mensen geloven dat de VVD hun belangen nog begrijpt.

De vraag is daarom niet alleen of de VVD nog bestaansrecht heeft.

De veel belangrijkere vraag is: voor wie wil de VVD eigenlijk nog bestaan?

Henk Prins